Ik...

... 1 april 2015

... luisterde naar het gesprek dat drie moslim-meisjes voerde naast me in de trein. Ik begreep er niks van. Ze waren Indonesisch of Maleis, eerder dat laatste want Indonesisch heb ik wel eens gehoord en gaat volgens mij veel sneller. Af en toe kwam er wel een woord langs dat ik kende. Check kaart foto facebook. O my God. Internet. Account. Tijdelijk. Ov-chipkaart. En: Je moet nog een foto van me maken. En: Utrecht Centraal. Het meisje dat alleen op een bank zat maakte heel veel foto’s met haar telefoon. Ze konden wel Nederlands maar spraken slechts heel af en toe Nederlands. De rest was gebrabbel. Twee meisjes hadden zwarte hoofddoeken, de ander een rode met een druk motief. Ook hadden ze felle lippenstift op. Ik kon goed werken bij deze achtergrondgeluiden. Een van de meisjes had een beugel. Glimmend in haar mond. Toen het meisje met de telefoon moest niesen zei een van de andere meisjes iets en ik verstond het niet maar het moest zoiets als Gezondheid zijn. Tegenover me zat een meisje op een laptop een film te kijken. Ze hield haar hoofd scheef bij sommige scènes. Bij Utrecht gingen de meisjes staan en de trein schommelde over de wissels en een meisje leunde tegen het tafeltje en die met de telefoon ging weer zitten op de bank. Ik stapte over en de Engelse man met zijn zoontje die de hele tijd verderop in de coupé hadden gezeten stapten ook over en het kleine ventje at een broodje pindakaas tegenover me op de bank en hij lachte steeds naar me als ik mijn ogen dicht en weer open deed.

twitter | facebook

... 31 maart 2015

... herlas een passage van De slagersjongen, een sterke roman van Patrick McCabe. Ik herlees het om te begrijpen wat deze schrijver met de tijd doet. De volgende passage is interessant. De verteller neemt je mee terug in de tijd, hij had contact met de zoon van mevrouw Nugent, Philip. Ze zijn rijk, Philip heeft de mooiste stripboeken. De context doet er niet zo veel toe, wat belangrijk is: de verteller speelt met Philip, en met de taal.

’Het is het stomste liedje van de wereld. Ik begon te lachen. Weet je waar het over gaat? vroeg ik hem maar hij zei van niet en schudde zijn hoofd. Je zou me stom vinden als ik het zei Philip zei ik en keek hem aan terwijl ik de tranen uit mijn ogen veegde want telkens als ik eraan dacht hoe stom het was moest ik er weer om lachen. Nee hoor zegt Philip. Jawel, zei ik, ik weet dat je dat zou vinden. Nee hoor zegt hij. Weet je waar het over gaat Philip zei ik het gaat pover een vrouw die aan een touw hangt omdat die slagersjongen haar leugens heeft verteld.’

Het valt op dat McCabe alles achter elkaar door vertelt, en dat is heel mooi want zo vertel je ook een verhaal. Het is geen gemaakte tekst met keurige alinea’s en alles wat gezegd wordt op een aparte regel zonder dat de verteller er nog is. In deze passage is er juist een natuurlijke verteller. Een ander mooi zinnetje: ‘Begrafenis zeg ik wat voor begrafenis en keek om me heen of er iemand anders bij haar was...’ Ziet er vreemd uit maar loopt heel natuurlijk.

Ook gebruikt hij geen aanhalingstekens, dat gebruikt iemand die spreekt ook niet. Ook dat maakt de tekst vlot.

Maar wat me het meeste opviel was het gebruik van de verleden tijd en de tegenwoordige tijd. Ik las terug. Alles wat de verteller zegt is in de verleden tijd. Zei ik. Ik zei. Dat is duidelijk want alles wat in dit boek staat is lang geleden gebeurd. De eerste zin van de roman; ‘Toen ik een jonge knul was twintig of dertig of veertig jaar geleden...’ Dus de toon en het ritme was ik wel gewend op bladzijde 56, maar niet die tijden, want als Philip iets zegt dan schrijft McCabe: ‘Nee hoor zegt Philip.’ En: “Nee hoor zegt hij.’

Het kan eigenlijk niet maar het kan ook heel goed, want het gebeurt wel eens dat ik een verhaal vertel dat al lang gebeurt is en dan zeg ik toch: ‘En toen zei mij pa, hij zegt de laatste keer dat ik daar was...’ Zo vertel je ook een mop. ‘Komt een vrouw bij de dokter,’ is in de tegenwoordige tijd maar het is al gebeurd, dus eigenlijk verleden tijd. En toch begrijpt iedereen dat die tegenwoordige tijd al geweest is, terwijl dat in andere vertellingen vaak verwarrend is. Dus wanneer is een tekst helder of dwingend genoeg zodat de schrijver de ruimte kan nemen om met de verteltijd te spelen? Het antwoord zoek ik nog.

Ik vind het spannend, zo’n tekst. Niet spanning vanwege het verhaal maar vanwege de manier van vertellen. McCabe doet dat bewust want als het niet bewust is voel je meteen irritatie. Hij heeft heel goed door hoe je lekker vertelt, en hij maakt de regeltjes van de taal daar ondergeschikt aan, en hij zal heel vaak tegen de corrector van zijn roman gezegd hebben: Laten staan zo!

twitter | facebook

... 30 maart 2015

... durfde de gordijnen bijna niet open te schuiven, de regen striemde tegen het glas, alles was grijs en donker en de dag was gelukkig een uur korter vanwege de klok die vooruit moest en die straks ergens in september of oktober weer terug gaat, en ik geloof niet dat deze sombere zondag dan al vergeten is, er is genoeg dat me bij zal blijven, het rustig thuis zijn na een avond met bezoek en gezelligheid, nu stilte, geen muziek of tv, en toch heel soms een geluid, een bladzijde van een boek wordt omgeslagen op de bank een stukje bij me vandaan maar toch heel dichtbij, en er piept rommelt een wasmachine achter een muur, een elektrische tandenborstel eerder die dag, een piepje van de telefoon, een bericht, een goed bericht, en steeds die grote ramen met daarop de lange streken van de regen en op het achterste raam een afdruk van een voetbal in het midden van het glas, de naden en de vormpjes helder en bruin afgetekend tegen de grijze lucht waar geen beweging in leek te zitten.

twitter | facebook

... 29 maart 2015

... vroeg aan de conducteur die zijn baard stond te kammen of de treinen weer een beetje fatsoenlijk reden die dag, na de stroomstoring en de chaos van de avond ervoor. Het was een grote Surinaamse man met een grijze baard en een rode pet. Hij zei: Wat is fatsoenlijk? Dat was een goeie vraag. Ik zei: Nou, een beetje op tijd, net genoeg om de overstap te halen en rustig koffie te halen nu, en dat er plek is om te zitten en ruimte om te schrijven. Dat ging wel lukken, zei de man. Hij kamde verder. Er was ook een vrouw in de hal onder de perrons. Een collega. Zij zei niks. Ik kocht koffie. Voor me waren een jongen en een meisje die allebei een zak chips kochten. Wij doen aan de lijn, zei het meisje tegen de verkoopster. Er kwam eerst een vertraagde trein en dat was gunstig, want daardoor was ik eerder in Utrecht. De Surinaamse conducteur had gelijk. De koffie was heel heet. Ik schreef een artikel over mijn buurt, over de straat, over de mensen in de straat. Van groot naar klein.

twitter | facebook

... 28 maart 2015

... kijk naar de duiven op het platte dak van de school achter mijn huis, naar de halsbandparkieten die groen en krijsend in de boom zitten, ook achter mijn huis. In de zomer, vanaf mijn balkon. Ik kijk naar de eksters die alleen opereren en mussen die altijd in groepjes zijn, ook in de tuin en op het dak en aan de randen van de hokken in de dierentuin waar de dode kuikens op een platte steen liggen, ook soms een muis erbij. Die dieren zijn allemaal bang, en mij geven ze rust. Dieren achter de glazen wanden of het gaas van Artis kijken futloos en somber, al vul ik dat zelf in. Laatst liet een aap zijn kont zien. Zijn hand erop, alsof hij zijn kont wilde aanwijzen. De merel doet dat niet, die is echt bang, die kijkt alleen naar mij om weg te kunnen vliegen, als dat nodig mocht zijn. Hij moet kunnen vluchten. Ik schrijf over vluchten, zeggen ze. Maar eigenlijk schrijf ik over de vlucht als een beginpunt, daar start het verhaal, en vervolgens op zoek te gaan naar contact en verbondenheid. De merel wacht en kijkt en is totaal niet verbonden met mij, dat zit alleen in mijn gedachten. Hij fluit, maar niet naar mij. Naar dat vrouwtje dat op de grond scharrelt of achter een auto net langs de stoep met een takje in haar bek.

twitter | facebook

... 27 maart 2015

... moet dit jaar nog drie keer vliegen. Tenminste, dat wil ik graag want het zijn leuke reisjes. Naar Londen, Toulon en Rome. Vliegen op zich vind ik niet eng, ik vond altijd de controles op het vliegveld eng. De bagagecheck met die lopende band en die strenge mensen erachter. De scanner waar je in moet gaan staan met je handen in de lucht. Het fouilleren. Altijd ben ik wel iets vergeten. Denk ik, altijd denk ik dat ik iets vergeten ben. Nooit is dat zo. Niet de tandpasta in een plastic zakje. Niet de boardingpass bij mijn paspoort. Dat soort dingen. En op de terugweg ben ik altijd nog angstiger want in het buitenland zijn ze nog strenger en ik ben ook vaak bang dat er drugs in mijn tas zitten, zo maar opeens. Daar ben ik sinds gisteren niet meer bang voor. Sinds gisteren ben ik bang om te gaan vliegen omdat je overgeleverd bent aan een enkeling. Dat moet soms, op een boot, in een lift, in de trein, bij iemand in de auto. En dat gaat altijd goed, ook met vliegen, maar het overgeleverd zijn is pas echt vreselijk eng. Daarom hou ik zo van fietsen. En misschien nog wel meer van wandelen.

twitter | facebook

... 26 maart 2015

... schommelde naar het zuiden. Mijn laptop open. Schuin tegenover me een echtpaar. Ze aten allebei een appel. Naast me aan de andere kant een man die schreef, gewoon met pen en papier. Er stond: Trouw Vertrouwen Trouwring. Zo lang samen zijn. Het was alsof hij rijmwoorden zocht. Hij dacht heel lang na en tuurde uit het raam. De appels maakten geluid. Ze braken. Een mooi geluid is dat maar het smakken daarna kon ik missen. Bij mij op het zitje zat een jongen die zijn laptop op het tafeltje had staan. Die tafeltjes zijn te hoog, dan kun je niet lekker typen. De jongen keek een film, denk ik. Hij had oordopjes in. Toen het meisje van de railcatering begon te praten over de intercom en met schelle stem kippensoep en gevulde koeken aankondigde, en contant en pinnen, hoorde die jongen dat niet. Ik had die ochtend al tweeduizend woorden aan mijn nieuwe roman geschreven en de dag ervoor ook, en toch schreef ik nu weer een paar stukjes. Geen complete scènes maar een korte schets wat er in de komende scènes gaat gebeuren. Dan weet ik dat alvast. Er komt een golfbaan in voor en een bushalte. De jongen in de trein begon toch te typen. Heel snel. En veel later, na een nacht en een halve ochtend, reed er een goederentrein langs het gele gevaarte waar ik in zat, precies toen we bij Bijlmer stil stonden, en de kap van het station leek te trillen en bonken onder het geluid van de volgeladen wagons.

twitter | facebook