Ik...

... 24 november 2014

... bleef niet lang in de Aep want mijn kinderen waren er bij en mijn dochter zat te zeuren en mijn zoon was moe, die had een logeerfeestje gehad. Ze moesten mee en ze gaan ook wel graag mee want ze kennen mijn vriend de barman en ik moest hem een cadeautje uit New York brengen. Dat vinden ze leuk. Ik kreeg koffie, zij cola en chocolademelk. We kletsten over de stad, niet over onze stad maar over New York, dat is toch net even meer een stad, al miste ik daar wel de gezelligheid van een kroeg als de Aep, de gesprekken en gewoon het zitten en niks zeggen, zoals op deze lome zondagmiddag waarop een Franse vrouw een kopje koffie bestelde en een otsjoklet. Hot chocate. Ze kon het niet goed uitspreken en de barman vroeg: Wat wil je? Ze verontschuldigde zich en iedereen aan de bar moest lachen, tot zij haar beker warme choco kreeg, en de koffie. Op de weg terug reden we door het drukste deel van Amsterdam en twee keer vroeg een toerist ons de weg bij een kruispunt, wij wachtten voor rood. Mijn zoon zei: Je kunt hier ook nergens op je gemak wachten voor rood.

twitter | facebook

... 23 november 2014

... reed onder de grond door de stad, in het donker, en steeds was het even licht op de lange perrons waar de man van de metro uit het raampje van de voorste wagon keek of de deuren goed dicht waren en of er niet iemand aan de deuren hing, het ging allemaal heel snel en gestroomlijnd. Ik wist dat het nog zes haltes was, of vijf, of vier, en ik wilde dat we de hele nacht in deze metro konden blijven want het schommelen van de wagons en de stem die de stations omriep waren inmiddels vertrouwd en daar wilde ik nog wel even tussen blijven, met haar. Het was warm in de wagons en ook op ons station in Queens, en het stuk naar het hotel was kort maar koud dus liever zat ik hier nog even, op die oranje bank. Toch stopte de trein bij Court Sq en we stapten uit en liepen zwijgend naar de uitgang, we wisten allebei welke kant we op moesten en dat verbond van richting en niks zeggen was heel erg mooi. Ze hield mijn hand vast, ik de hare. Wie begon maakt niet uit, het ging vanzelf. In het hotel zette ik de rugzak tussen het bureau en het kastje waar de tv boven hing, de tv die we die hele week geen enkele keek aan hadden gehad. In de bovenste la mijn kleren. Op het kastje bekertjes voor koffie of thee, het kaartje waarmee de deur open kon, een geel pasje voor de metro, onze poort naar de stad met de geweldige gebouwen die je heel klein kunnen maken en je tegelijkertijd heel groot kunnen laten voelen, zoals ook zij dat kan.

twitter | facebook

... 22 november 2014

... liep door Queens met een plastic tas met brood, ham, yoghurt, op zoek naar een kop koffie, die vond ik vlakbij het hotel op de hoek en op de weg daarheen trok ik mijn kraag op want het was koud en de wind was stevig en ik nam een paar foto’s van de straat met de hoge gebouwen aan de andere kant van de rivier en de kleine lage huisjes hier in de buurt, van een grote truck en een gele taxi, ik kreeg koude handen en bleef toch foto’s nemen, dat doe ik niet zo vaak maar hier wel, de beelden verspringen hier heel erg snel want alles is in beweging, zelfs in de stilste buurten en parkjes en de hoekjes waar bijna geen verkeer is, en die foto’s zijn toch een manier om deze week in dat snelle leven kort stil te zetten en later terug te kijken, zoals de stalen constructie van de metro en de diner waar we twee keer aten en de ingang van de metro daar, heel smal, en het strookje gras voor het water en de lichtjes in de avond vanaf een heel hoog dak waar het zo koud was dat we daar maar even bleven, ook al was het er heel mooi en kostten de kaartjes bijna dertig dollar.

twitter | facebook

... 21 november 2014

... zag overal in New York kleine musjes en eekhoorns. De mussen zaten in de parken, op straathoeken, in kleine plantsoentjes en vooral op het hek van autobedrijf Ryder om de hoek van het hotel. Mussen zijn huiselijk. Ze maken een stad klein. Sommige mussen waren heel dik, die zaten op plekken waar mensen veel kruimelen. De eekhoorns zitten in Central park, dacht ik, maar ze bleken in heel veel andere parken ook rond te hupsen, in Riverside park en bij de City Hall. De stad was vol met kleine diertjes, als je ergens liep hoorde je de vogeltjes kwetteren. Op Staten Island was het heel stil, net als in Queens, waar het hotel stond in een gebied met oude industrie, flitsende nieuwe eettentjes, een paar deli’s en veel garagebedrijven. Het was mooi om over de brug vanuit Brooklyn naar de stad te lopen. Toen ik dat veertien jaar terug deed liepen we de andere kant op en dan moet je steeds achterom kijken voor het uitzicht. Nu liepen we de stad tegemoet, vanuit een ijskoud Brooklyn naar een parkje met eekhoorns waar het beschut was en waar twee fietsers de bocht om kwamen om het fietspad te pakken ook de brug op, ze draaiden zo de snelweg op, precies de verkeerde afslag en de voorste riep: Yahooooo.

twitter | facebook

... 14 november 2014

... dacht dat het drukker zou zijn, in de dierentuin die dag. Het regende eerst, misschien kwam het daar door. Toen wij er kwamen was het droog. Bijna geen mensen, alleen een Spaans gezin dat moeite had met de nieuwe sluis bij de vogelkooi en een moeder met een heel klein kindje in een blauw skipak. Het kindje keek steeds naar me. De moeder liep ook de brug over aan de kant van de Middenweg. Wij kwamen al terug lopen want het pad is al heel lang geblokkeerd en ik had met mijn kinderen gewed dat je er niet door kon en won die weddenschap, zij zeiden dat je er wel door kon en ik zei van niet. We gingen langs de vissen, langs de pinguďns waar er twee een nestje bouwden, langs de Chimpansees die net naar binnen gingen en te eten kregen, en we bleven lang in de speeltuin met het klimrek en de hoge glijbaan, waar ik De homesman uit las, een heel mooi boek. Toen we naar de uitgang liepen ging de herfstzon net onder, de Kerkstraat in het gele licht achter de Amstel. We gingen onder het Rijksmuseum door en ook het Museumplein was geel en oranje, niet alleen van de bladeren, ook van het licht.

twitter | facebook

... 13 november 2014

... reed achteruit door Limburg. Alle stoelen aan deze kant van de trein stonden verkeerd om. Het leek wel winter. Alleen de coniferen hadden nog blad. Ik passeerde rijtjeshuizen met grauwe daken, een huizenblok als een Middeleeuws fort, een wilg. Weilanden met klei. Bij een spoorwegovergang waren de spoorbomen naar beneden maar er stond niemand te wachten. In Eindhoven is de overstap tegenwoordig van spoor zes naar spoor drie, je moet de trappen af en weer op. De trein wacht niet. De trein stopte voorbij de trap. Een jongen in de trein zei: Wat een knuppel. Hij had het over de machinist die te ver door reed. De overstap lukte, al was het dringen op het perron en op de trap. Langzame mensen nemen veel plaats in. Ze hebben ook grote tassen. Ik zocht een plekje op een balkon. Ik beantwoordde mails. Ik schreef een stuk. Naast ons reed een trein die helemaal leeg was. Een spooktrein, zo leek het. Nummer 302. Ik volgde de hoogspanningsleidingen die evenwijdig met het spoor door het land liepen. Vroeger hoorde je wel eens dat die leidingen aangelegd waren door Duitsers en Chinezen. Verder kon niemand dat.

twitter | facebook

... 12 november 2014

... heb een doopnaam: Marius. Vroeger schaamde ik me voor die naam. Niemand in het dorp heette zo, behalve de jongen die op de dijk stond en zijn hoofd steeds schudde en naar de auto’s keek, die in de dorpswinkel achter zijn moeder aanschuifelde en haar hand nooit los liet. Marius, dat was niet mijn naam.

Dat veranderde toen mijn debuut uit kwam. Ruim tien jaar woonde ik al in Amsterdam, en nooit speelde het door mijn hoofd die naam te gebruiken. Marius. Uitgeverij Meulenhoff wilde mijn eerste roman uitgeven en de redacteur vroeg: Hoe wil je heten op je boek? Welke naam moet er op de cover?

Mijn eerste gedachte: Jan Marius. Dat leek me een mooie schrijversnaam. Twee voornamen, net als Hugo Claus. En Dylan Thomas. Toch deed ik het niet, want mijn vader heet ook Jan van Mersbergen en ik wilde geen andere naam kiezen dan die naam. Dus ik zei: Zet er maar gewoon Jan van Mersbergen op.

Sindsdien werd de naam Marius toch mijn naam, hij speelde als schrijf-naam door mijn hoofd, zonder dat iemand het wist, maar vooral omdat ik me niet meer schaamde voor mijn doopnaam. Ik kreeg het besef: al die tijd schaamde ik me niet voor mijn naam, maar voor mezelf. Daar kon die jongen in het dorp niks aan doen. Schaamte, iedereen kent het, maar met schrijven kan dat niet. Schrijven moet zonder schaamte. Rechtop staan, schouders recht. Gaan staan voor het boek. En nu het boek er was ging die schaamte langzaam over.

Afgelopen zondag overleed Marius Suiker, een Venlose fotograaf en zanger, een bekende Venlonaer. Verwoed Vastelaovesvierder. Hij droeg zijn naam met trots, denk ik. Marius Suiker Fotografie, je kwam het overal tegen. Hij had kanker, hij is 51 geworden. Vorige week werd al bekend dat hij ziek was en Venlo leefde mee met Marius en met zijn familie. Heel veel mensen uit de stad dachten afgelopen week aan hem, en steunden hem, dat moet hem zeker geholpen hebben, en zijn naasten ook. Dat warme medeleven maakte deze kleine stad groots, het leed delen met de complete stad, dat is erg mooi.

Gister was het 11 november. Op de markt in Venlo werd de Vastelaovend ingeschoten, zoals dat heet. Ik had pech met de trein. Op het beruchte traject naar Arnhem was iemand voor een trein gesprongen en ik moest omreizen via Den Bosch en Nijmegen. Ik maakte een inschatting: ik kon anderhalf uur les geven en zou dan door reizen naar Venlo of ik kon direct door reizen naar Venlo. Ik koos het laatste, die les haal ik wel een keer in. Ik trok mijn blauwe fanfarejasje aan, zette mijn blonde pruik op en ging naar de markt. Daar was het begin van de Vastelaovend in volle gang, daar werd Marius herdacht. Dat ging prachtig samen: het leven komt met carnaval samen, en de dood hoort daarbij. Niemand ging een van beide uit de weg. De mensen waren samen en Marius was er ook bij.

Vandaag reis ik weer naar Amsterdam. Naar mijn kinderen en mijn benedenbuurvrouw, die ziek is. Toen maandagavond mijn kinderen bij mij waren vertelde ik ze dat de buurvrouw niet zo goed gaat, dat ze niet lang meer te leven heeft, dat ze eruit wil stappen. Deze maand nog. Ze keken me aan. Gaat ze dood? vroeg mijn dochter.

Bijna, zei ik. Eerst gaan we haar nog een cadeau brengen, een klein boekje. Als jullie mee willen.

Dat wilden ze wel. Op hun sokken gingen mijn kinderen naar beneden, over de koude stoep naar buiten, aanbellen. Ze zaten op de bank en kregen een koekje en chocolade eieren met een surprise erin. Dank je wel, zeiden ze allebei. We praatten wat. De telefoon ging. Goede tijden, slechte tijden was op tv. Een man kreeg juist op dat moment op tv ook een telefoontje. De buurvrouw kon de telefoon eerst niet vinden. Ik zei: Waar is de telefoon? De man van GTST nam op en mijn zoon zei: Hij heeft hem al.

Daar moest de buurvrouw erg om lachen. Toen we weer naar boven gingen zeiden mijn kinderen gedag en de buurvrouw zei: Tot snel.

twitter | facebook