Ik...
9 februari 2010
... reed door het donker over een vierbaansweg en ik keek naar de borden langs de weg waar op stond hoe ver het nog was en ik keek naar de vanrail en naar loodsen van een industrieterrein, en ik wist dat er geen file was en de man die de auto reed wist dat ook. Ik kende hem niet. Ik had staan liften ergens buiten Lyon, op een naargeestig stuk snelweg en daar had hij me opgepikt en dat was eigenlijk een wonder, want ik had er heel lang gestaan en wilde al terug naar de stad lopen, naar een station waar misschien een nachttrein zou komen, en toen stopte deze groene Citroën en nu zat ik al een paar uur naast deze man en na de eerste paar beleefde zinnetjes hadden we niks meer gezegd. Ik ging naar het noorden, ik ging naar huis. Hij had twee hele grote tassen op de achterbank staan en een doos waar een fotolijst uit stak. Op de foto, die ik voor de helft kon zien, stond hij zelf en een meisje. De man keek alleen naar de weg voor ons. Hij ging weg.
8 februari 2010
... ging vermomd als Ted van Lieshout naar Brussel, samen met Gerbrand Bakker. Dat was niet voor de Carnaval, maar voor het goede doel. Eigenlijk was ik alleen vermomd als Ted van Lieshout in de trein, want mijn treinkaartje stond op zijn naam. In Brussel wisten ze wel dat ik zou komen, en niet de gevierde kinderboekenschrijver.
We gingen met de supersnelle trein die inmiddels rijdt tussen Amsterdam en Parijs, en voor we het wisten stonden we in Brussel Zuid, dat in het Frans Brussel Midi heet. Frans is een prima taal, maar in deze tweetalige stad blijkt Frans dominant te zijn, en dan is het opeens erg intimiderend. De taxichauffeur die ons als een razende naar het Hilton aan de Boulevard Waterloo bracht sprak in ieder geval geen woord Nederlands. Hij reed als een idioot. Toen we een tunnel in doken moest ik aan Lady Di denken en direct daarna moest ik aan onze uitgeefster denken, want zij had twee auteurs bij deze halve zool in de taxi zitten.
We overleefden de rit. Gerbrand betaalde en vroeg een bonnetje. Daarna moesten we naar de zevenentwintigste verdieping van het hotel. Het was mistig, dus we hadden net zo goed op de begane grond kunnen eten. Ik zeg eten, want deze hele reis betrof een literaire lunch en de mensen die samen met een vijftigtal auteurs aten betaalden daar geld voor en dat geld gaat naar een fonds voor kinderen met Aids. Het werd georganiseerd door de Joodse gemeenschap. Er werden toespraken gehouden, door een mevrouw en een onderzoeker en door de burgemeester van Brussel en dat was allemaal in het Frans en ik kon het gedeeltelijk volgen, behalve het woord Sida, dat steeds terug kwam. Het eten was ok. Onze tafel was ook ok.
Er werden ook loten verkocht, voor tien euro per stuk. De vrouw naast me kocht een stuk of vijf enveloppen en die moest ze open maken en dan haalde ze er een papiertje uit waarop stond: Dommage. Ik mocht ook een envelop openmaken, het briefje daarin was ook een Dommage-briefje.
Na het eten kwam er een mevrouw aan onze tafel staan en zij richtte zich op de schrijvers, die netjes een naamplaatje droegen, en ze zei: Nu moeten jullie werken.
We wisten wel dat er na het eten nog iets zo gebeuren, maar niemand had ons verteld dat we vier uur lang achter een tafel moesten zitten en onze boeken moesten zien te verkopen, gesigneerd en wel. Toch gingen we naar de eerste verdieping en zaten we in een erg drukke ruimte achter die tafel. Het was nog gezellig ook, al waren de stoelen slecht. Daar had ik last van, vooral omdat mijn rug in de Thalys naar Brussel door de bewegende stoel van de eerste klasse vakkundig gekraakt was.
We verkochten een paar boeken en toen was het wel mooi geweest. We zeiden onze Franse uitgever gedag, die aan de andere kant van het zaaltje zat, als schrijver, want hij heeft ook een boek geschreven. Hij had ook het omslag van mijn Franse vertaling van Pamplona bij zich, en dat zag er heel mooi uit: een klassiek omslag met alleen typografie. Een ontwerp dat al sinds 1931 gebruikt wordt. Heel mooi, en sjiek.
Toen liepen we terug naar Brussel Zuid. Een taxi, daar hadden we geen zin meer in. We stapten in de eerste de beste trein naar Amsterdam. Dat was een normale geel-rode trein met goede stoelen. De conducteur echter, vertelde ons ter hoogte van Mechelen dat onze kaartjes alleen geldig waren in de Thalys en dat we of een nieuw kaartje konden kopen naar Amsterdam, of in Antwerpen uit konden stappen. Omdat de snelle trein maar een klein beetje later in Amsterdam aan zou komen dan deze intercity, stapten we maar uit.
In Antwerpen aten we een pizza. De ober zong Italiaanse liedjes en zette het wijnglas dat het meisje van de bediening Gerbrand voor had gezet op de goede plaats, aan zijn rechterhand. Dat was vreselijk, want dat glas stond daar prima en dat meisje was heel aardig en deze man was een eikel die me deed denken aan de man uit Turks Fruit die in de witgoedzaak werkt, gespeeld door Hans Boskamp.
In de Thalys naar Amsterdam zaten we naast een van de gebroeders Van Warmerdam en we wisten niet precies of het nou Vincent of Mark van Warmerdam was. Alex was het in ieder geval niet.
Toen waren we weer in Amsterdam en kocht Gerbrand een pak shag op het station en ik kocht een pakje Marlboro voor mijn vriendin, want ze had gebeld en gevraagd of ik dat wilde doen. Dat wilde ik wel.
Die Ted van Lieshout. Die maakt wat mee.
7 februari 2010
... stond op het perron bij spoor 14 op de trein te wachten en van boven kwam een onophoudelijke stroom mensen het perron op, en er kwam een trein en daar stapten mensen in, maar het was niet mijn trein, dus ik wachtte op de volgende en weer kwamen er honderden mensen op het peroon staan, het was echt druk die dag, mensen stonden in de gangpaden van de trein die van spoor 15 vertrok, ze stonden op de balkons, tegen WC-deuren aan, ik zag drie Japanse toeristen op hun koffers zitten voor de buitendeur waardoor er niemand meer langs kon en dat gaf niks, want er kon helemaal niemand meer bij, ik zag twee oude mensen langs de trein schuifelen met een soort hopeloze blik in hun ogen. Dus toen mijn trein kwam moest ik ook maar zien of ik een plekje kon krijgen, en toen kwam de stoptrein die ik moest hebben en ik had geen zin in het geduw en getrek en wachtte tot de meeste mensen zich naar binnen gewerkt hadden, en er bleek alleen nog wat ruimte om te staan. Toen ben ik weer naar huis gegaan.
6 februari 2010
... vier vandaag de verjaardag van ons kleine hondje Duchi. Hij is tien geworden. Een paar jaar terug is hij geopereerd aan zijn buikwand (kosten: 450,- euro) en vorige week is hij naar de dierenarts geweest voor een complete gebitsreiniging (kosten: 250,- euro). Daarvan is hij goed hersteld. Hij krijgt speciale harde brokjes voor kleine hondjes (kosten: 20,- euro voor vier kilo) Hij weegt zelf ook vier kilo, dus eens in de zoveel tijd eet hij zijn eigen gewicht op. In 2000 kocht mijn vriendin hem in de Bijlmer (kosten: 300,- gulden), op de hoogste verdieping van een tamelijk troosteloze flat. Ik was daar ook bij. Die mensen hadden hem gespoten met parfum en dat stonk verschrikkelijk. Waarschijnlijk waren ze bang dat zijn normale hondengeur ons af zou schrikken. De metro terug rook naar die vieze parfum. Duchi is extreem waaks. Als de bel gaat begint hij keihard te blaffen. Dat is heel irritant, maar kost niks. Nu ligt hij hier te slapen. Als ik zijn naam noem gaan zijn oren omhoog. Als ik in de keuken een broodje kaas maak gaat hij voor me staan en kijkt hij omhoog. Dan gooi ik stukjes kaas op de vloer. Gefeliciteerd, Duchi.
5 februari 2010
... ga vanmiddag naar de uitreiking van de BNG Nieuwe Literatuurprijs. Ik ben genomineerd. Er is mij en de andere genomineerden verzocht alvast een dankwoord te schrijven voor het geval je wint, en ook is ons verzocht om een aantal tijdstippen dit weekend vrij te houden, ook voor het geval je wint, want dan wil de pers met je praten, op radio onder andere. Ik ben twee keer eerder genomineerd geweest. Ik heb twee keer niet gewonnen en ik weet dus heel goed dat wanneer je de prijs niet wint er niemand met je wil praten. Het is een bizarre situatie, daar te zitten met vijf andere, hele goeie schrijvers, die stuk voor stuk een papiertje in hun broekzak of borstzak of binnenzak hebben, en van al die papiertjes zal er eentje opgedreund worden. Ik kan alvast zeggen dat ik geen papiertje in mijn broekzak zal hebben. Misschien zal ik een borstzak hebben. Een binnenzak zal ik zeker niet hebben.
4 februari 2010
... maakte een gat in het ijs, iets wat ik graag deed, maar nu maakte ik een gat met een boor en daarna met een zaag, een mooi rondje, en de cilinder van ijs die ik eruit zaagde kon ik uit het water tillen omdat ik daar een pin in geslagen had die als handvat diende. Het ijs was zo’n vijftien centimeter dik. Ik zat op een rustig stuk van de rivier. Er waren nog geen schaatsers en het tentje verderop waar de mensen uit het boerendorp erwtensoep en koffie verkochten was verlaten. Ik zette mijn hengel in elkaar en schoof het rubbertje van een tuigje over de top, en ik wikkelde het tuigje af. Een stuk brood aan de haak en vissen maar. Ik had geen krukje mee, dat deed ik nooit, en ik zat op mijn tas. Een viskoffer had ik ook niet, dat is allemaal maar sjouwen. Het was koud, vooral aan mijn voeten. Ik wachtte een hele tijd en hoewel ik heel vaak aan dit riviertje had gezeten zonder iets te vangen was het nu door de kou toch wel lastig vol te houden, maar ik bleef zitten. Die voorntjes lieten zich echt niet zien en brasem ook niet. Allemaal modderkruipers, dacht ik. Of dat klopt weet ik niet. Ik ben geen visser die dat allemaal weet. Het gaat mij om het zitten en om het wachten en om het vangen. Ik ving niks. Na een uurtje kwam er een schaatser aan, de eerste. Het was een man van een jaar of veertig, en toen hij me zag remde hij en begon hij natuurlijk meteen over het gat in het ijs en dat ik zijn ijs vernield had. Dat had ik wel verwacht. Zo zijn schaatsers. Later kwam die boer van dat kraampje en ondanks dat hij het hele jaar zijn vieze drek in dit water loost had ook hij een grote mond, en ook dat was logisch want schaatsers kopen erwtensoep en koffie, vissers nemen hun eigen eten en drinken wel mee, die zitten meestal op plaatsen waar geen koek-en-zopie-tentjes zijn, en vissers die dat wel doen zijn het soort luxe vissers die ook bootjes huren en als het even kan iemand het aas aan hun hengel doen, en het liefst ook de vis eraf halen. IJsvissen was hier dus niet zo’n succes. Als ik ooit nog ergens kom waar wel vissen onder het ijs zijn, dan ga ik zeker een hengel regelen. Het moet toch een keer lukken.
3 februari 2010
... viel afgelopen zondagavond zo maar in een film en dat bleek een hele goeie film en die film heet Maria full of grace, over een jonge vrouw, gespeeld door Catalina Sandino Moreno, uit Colombia die 62 bolletjes cocaïne slikt en naar New York vertrekt met het vliegtuig. Uitzichtloos, spannend, vol hoop en angst en onzekerheid, vol leven en helaas ook dood. Deze film laat zien dat het mogelijk is een mooi gezicht simpelweg in beeld te brengen, met het verhaal van dit personage als achtergrond in het hoofd van de kijker, waardoor alles wat je voor dit personage voelt op haar gezicht geprojecteerd wordt. Dat is een ideale situatie, want de vrouw hoeft niks te zeggen. Ze moet er wel zijn, en ze moet er overtuigend zijn, maar tekst kan achterwege blijven. Tekst ontstaat bij de kijker in zijn hoofd als hij de gevoelens probeert onder woorden te brengen, maar wat belangrijker is: de kijker voelt. Een wonder dus eigenlijk. Als dit bij een film kan, dan kan het bij een boek ook, en gelukkig zijn er films die me in die opvatting sterken. Er zijn ook heel veel verschrikkelijk slechte films en die sterken ook mijn opvattingen over schrijven, maar aan die films kun je niet zien hoe krachtig beelden kunnen zijn. Ik ga schrijven.