Ik...
28 januari 2012
... zag een bezem op straat liggen, achter een reclamezuil, een rieten veger, zo’n goeie, en ik keek of er ergens een veegploeg was, misschien stonden ze te roken, bezem tegen de reclamezuil – D-reizen – en dan de wind, hij valt op de stoep, maar nergens vegers of gele of oranje hesjes te bekennen, wel een zwaailicht verderop bij een hoogwerker, en in de zijstraat die je met moeite in komt omdat de trambaan op een verhoging ligt met van die schuine trottoirbanden, die je schuin af moet fietsen, zag ik een paar blikjes Red Bull bij elkaar liggen op een parkeerplaats (overal Red Bull tegenwoordig), zoals je soms ook een heleboel peuken bij elkaar ziet liggen als iemand zijn asbak heeft geleegd op straat, en verderop klapperde een TE KOOP-bord tegen een raam, ook in de wind, vlak voor de gracht, en ik wilde eigenlijk blijven staan om te zien hoe dat raam kapotgeslagen werd, maar ging toch maar door, ik had koude handen, mijn handschoenen zijn weg, ze zaten in mijn jas en die is door iemand meegenomen in de Casablanca, en toen heb ik maar een andere jas met een geruite capuchon aangetrokken, een enorme jas, van een enorme kerel die geen handschoenen nodig heeft want die zaten er niet in en ook geen sjaal en ook geen muts.
27 januari 2012
... wachtte in het koffiehuis op de markt tot de fietsenmaker mijn band had geplakt, en ik dronk zwarte koffie uit een hoog glas, las de krant en praatte met een man die scheidsrechter was bij Swift en een man van de markt die alleen de Volkskrant las, want die andere kranten was rotzooi. Hij had een muts op en een dik houthakkersoverhemd. Hij vertelde dat iemand hem vroeg waar hij op vakantie was geweest en dat hij zei: Kijk maar op de handdoek.
Hij was in Ierland geweest. Daar ben ik ook geweest en de scheidsrechter ook. We praatten over Guinness, over de IRA en over muziek. De man met de muts vertelde dat een vriend van hem zijn nieuwe auto geparkeerd had in Londen en die auto was zo nieuw dat hij nog niet geregistreerd stond en het was in de tijd van de bomaanslagen en toen hij terug bij zijn auto kwam was de straat afgezet en waren alle winkels ontruimd en reed er een robot naar zijn nieuwe auto, want ze dachten dat er een bom in zat. Ik heb de sleutels, zei hij.
Dat soort verhalen zijn natuurlijk totaal verzonnen, maar wel mooi. Een jongen bij mijn voetbalclub – inmiddels overleden – werkte als beveiliger bij een bedrijventerrein. Hij werd ’s ochtends wakker na zijn dienst want hij ging gewoon slapen, en hij schreef op zijn papiertje: Geen bijzonderheden, en hij ging naar huis. Bleek later dat vier van de zes gebouwen op het terrein afgefikt waren en dat de brandweer de hele nacht bezig was geweest. Hij had niks gemerkt. Wat je niet ziet is er niet.
De zoon van een van de mannen kwam binnen, een jongen van 15. De man met de muts zei: Moet je money? Hij gaf de jongen wat geld en vroeg of hij al een nieuwe moeder voor hem gevonden had, in de Oekraïne, want daar was hij aan het zoeken, via internet.
Aan een andere tafel ging het over het milieu. De eigenaar van het koffiehuis is milieubewust. Daar moesten de anderen om lachen.
De scheidsrechter zei: Gister naar Ajax gekeken. Weer anderhalf uur van mijn leven naar de knoppen.
Op een tegeltje voor de spiegel stond: Stel niet uit tot morgen wat je heden door een ander kunt laten doen.
Er was tennis op de TV.
Een kale man kwam binnen, ook een scheidsrechter. Hij had een kickbokser uit het veld gestuurd en de andere scheidsrechter wist de naam van die speler en dat hij levenslang geschorst is, en dan toch spelen.
Met meisje van het koffiehuis liet de kale een glas koffie zien en vroeg: Zo goed? Ja, zei de kale. Ze gieten de suiker en de melk er achter de bar in, en ze roeren voor je. Nooit doen, veel te zoet en slap. De prijs is verhoogd naar een vijftig.
In de krant, zo zei de man met de muts, stond een artikel over een atheïst in Indonesië die tot de dood was veroordeeld. Ik zei: Hij moet eraan geloven.
26 januari 2012
... dacht: schenk maar in, toen ik naar een jongen keek die voor een van de bankjes stond, een grote kan limonade in zijn ene hand en een plastic bekertje in zijn andere hand, bibberend, boven een stapel jassen en sjaals en handschoenen. Hij deed zijn best, zijn tong uit zijn mond. Niemand die hem iets zei. Vroeger reden hier auto’s. Ik denk aan een vriend die een auto had, die weg ging en nooit meer terug kwam. Hij reed zijn auto tegen een boom. Ik hoorde het aan de telefoon in een heleboel lawaai, net zoals er hier onder de grond veel lawaai is, en toch zijn mijn gedachten scherp, nieuws kwam heel scherp en helder over. Er loopt nu een jongen voorbij die zijn jas achterstevoren aan heeft, een lichtblauwe jas. Mijn kinderen zijn nergens te bekennen. Ze zijn bezweet. Ze zijn blij. Een jongensachtig gezicht had die vriend, altijd. Eigenlijk is hij niet veel verder gekomen dan jongen want ik ben nu bijna twee keer zo oud als hij geworden is, en ik heb wel een ouwe kop gekregen. Hij niet, hij had ondeugende ogen en hij was ondeugend. Een paar ventjes hier onder de grond hebben dat ook, een drietal bleke jongens in trainingspakken – een van Ajax – en een dikke jongen met diepliggende ogen. Ik ging met hem vlotten bouwen en het kanaal af. Vissen vroeg in de ochtend op zondag als ik de krant niet rond hoefde te brengen en toch vroeg uit bed rolde en met hem afgesproken had en dan was hij er gewoon. Een vrouw met een hoofddoek om zit vinnig te breien, een donker meisje eet een banaan - het is verboden uw eigen etenswaren te nuttigen - een man voetbalt met snelle jochies. We zaten naast elkaar bij viswedstrijden en dan gooide hij enorme kluiten grond in het kanaal en dan dachten de anderen dat hij het meeste lokvoer had. Er lopen hier vaders met de hand op de schouder van hun zoon, drie heb ik er al gezien. Onder de grond kan dat. Een auto, ik weet de kleur niet meer. Een boom in een enorme rij langs de provinciale weg. Een van die bomen, denk ik als ik er langskom. Ik heb niet eens een rijbewijs. Mijn kinderen moeten een rijbewijs, meteen als ze achttien zijn. Er loopt hier een meisje van een jaar of tien, opgemaakt als een tippelaarster van achter Centraal, van vroeger. Hij had een auto, mijn vriend. Hij heeft nooit een vriendin gehad, langer dan een paar dagen. Hij was heel mager en had korte schouders maar hij was voor niemand bang en had een grote bek, zeker voor een Brabantse jongen, en één keer stonden we in het Keldertje of in de Nieuwe Schuur of in een van die andere discotheken in de polder bier te drinken en keken we naar de meisjes die dansten, jong en mooi en blond en onbezorgd, en toen zei hij: Ergens is er een voor mij. En hij nam een paar grote slokken, zette zijn glas op de bar en haalde weer muntjes uit zijn broekzak.
25 januari 2012
... kwam de mevrouw van de Ruysdaelkade tegen. Ik schreef een verhaal over haar in Propria Cures. Zelf zag ik die publicatie nooit, maar het verhaal is er wel. Ik zag haar in de Dirk. Ze begon te schelden. Dat doet ze vaker, maar nu tegen mij. Toen ze klaar was praatte ik even met haar. Ik zag chips en koeken en koffie en op een kar heel veel dozen chocolade, en in mijn mandje zaten chorizo en kikkererwten, en ik vertelde haar dat ik weg ben thuis. Het heet nog thuis, maar is het niet meer. Ze keek me even aan en wilde weer gaan schelden, maar ze keek naar haar vriendin die voor het rek koffie stond, die op haar wachtte. Ga jij maar naar de kassa, zei ze. De andere vrouw bleef staan, echt op afstand, en zei: Ik wacht hier wel. Ik vertelde wat er allemaal speelde. Heel ingewikkeld, en soms ook heel eenvoudig. Ze was redelijk, geen schelden meer, en toen zei ze: Sterkte en ook voor de kinderen en voor iedereen, en ik kneep in haar arm, en zij in de mijne.
24 januari 2012
... kocht een banaan bij de kiosk op het perron. Hij kostte 95 cent. De vrouw van de kiosk zei dat fruit heel goed verkoopt.
Vroeger had je nooit fruit, zei ik, alleen saucijzenbroodjes.
Toen zei ze: Als je hem ’s ochtends in je tas stopt dan is-ie ’s middags bruin.
Ok, dacht ik en ik pakte de banaan maar dacht niet aan een banaan.
De vrouw zei ook nog: Hier gebeurt er niet zo veel mee.
Nee, zei ik.
In het schap met de kauwgom en snoep en appelflappen is een vak voor het fruit en voor de bananen is de bodem halfrond gemaakt zodat de bananen kunnen liggen.
Hier gebeurt er niet zo veel mee.
Toen kwam de trein. Of eigenlijk moest ik de kiosk uit met mijn tas. Een andere vrouw zei: De wachtruimte is daar. Ze wees.
Als je hem ’s ochtends in je tas stopt dan is-ie ’s middags bruin. Het is een mooie uitspraak.
23 januari 2012
... denk aan liedjes waar ik van moet huilen en dat het niets met smaak of voorkeur of type muziek te maken heeft, maar alleen met het moment en de herinnering en alle andere bagage die als muziek opgeslagen zit in mijn hoofd. Als ik dit liedje hoor kan ik me niet meer bewegen - ik heb er wel eens over geschreven - dan blijf ik staan en druk ik mijn kaken op elkaar, probeer adem te halen door mijn neus en dan probeer ik om me heen te kijken zoals laatst toen ik het nummer hoorde in de Bastille aan het Thorbeckeplein, een prima plek om overvallen te worden door emoties die heel ver van zo’n plek vandaan staan maar ook weer heel dichtbij. Ik keek om me heen, dansende mensen, een groepje Latino’s, de jongen die volgens mij mijn jenever had gejat, twee blauwe ogen, en toen werd ik rustig, ook al kon ik nog niet bewegen, laat staan dansen, ik kon een slok bier nemen en juist op dat moment hoorde ik niks anders dan de muziek en de scheepsbel van de Bastille en werd tegelijkertijd iets heel belangrijks gezegd, zonder woorden, juist op dat moment.
22 januari 2012
... zag een vrouw lopen die steeds door haar enkel zwikte, haar linker, haar schoen was niet goed meer maar toch liep ze door, over het fietspad, en ze had het haastige loopje van een junk, en toen ik haar passeerde keek ik naar haar gezicht, inderdaad een junkengezicht, haar ogen waren hol en leeg en haar jas was te groot, en in haar hand had ze een aansteker, en vanuit het niets zei ik hoi tegen haar, en ze stapte maar door over dat fietspad, keek me niet aan maar zei ook hoi. Automatisch. Ik stak mijn hand nog op. Op de Marnixstraat fietste een man voor me, hij had een strakke zwarte leren broek en een zwarte jas, en hij zat op een mountainbike en trapte heel snel een klein verzet rond, kwam amper vooruit. Hij was leeg, compleet op, maar hij reed daar wel. In zijn kontzak zaten een aansteker, een pakje vloeitjes en een buisje. Ik zei tegen hem: Je aansteker. Hij begreep het en duwde de aansteker zijn kontzak in en bedankte me. Hij zei: Thanks man. Toen ging ik het stuk fietspad op waar de boomwortels het asfalt omhoog duwen. Irritant, die hobbels, maar van een boom kan ik het goed hebben. Later kwam ik ook nog een moslim tegen die in een rolstoel zat en met zijn benen de rolstoel voortbewoog, zijn voeten gingen over het asfalt, over de trambaan, hij had een baard. In de Pijp is een man die precies zo met zijn rolstoel de straat over gaat, maar die heeft geen baard. In West toeterde een auto naar een man op de fiets. De man keek niet om, hij stak alleen zijn arm omhoog, stak zijn middelvinger op.