Bladzijde 17 van het debuut van Jaap Robben – Birk – is bijna volledig een dialoog. Ik heb de eerste bladzijden van het boek heel vaak gelezen, interessante opzet, een mooi beeld van mieren in een mond, maar er schuilt iets vreemds afstandelijks in de manier van vertellen.
Een moeder en een zoon eten soep. De vader is er niet, hij komt te laat voor het eten en ze weten niet waarom. De moeder moppert op de vader. Een eenvoudige situatie met spanning. De jongen vertelt het verhaal, in de verleden tijd. Alles is al gebeurd, de jongen (inmiddels een man?) kijkt terug en weet dus waarom de vader niet komt. Dat is heel belangrijk, maar dat laat de verteller in eerste instantie nog niet zien. Moeder en zoon hebben een gesprek.

‘Eet je niks?’
Ik haalde schokkerig mijn schouders op.
‘Kun je niet meer praten?’
‘Ik heb genoeg,’ zei ik.

Ik weet hier nog net wie wat zegt. Dat eerste dialoog-zinnetje is van de moeder. Tweede zinnetje ook. De verteller zegt niet wie wat zei, toen. Dat moet de lezer invullen. Meestal werkt dat goed, bij een afstandelijke verteller die in de derde persoon zijn verhaal doet, over een moeder en een zoon, die soep eten. Geen van de personages is dan zelf de verteller. In Birk is de zoon aan het woord, en dan is zo’n dialoog heel vreemd, zeker als op bladzijde 17 bij geen enkele regel meer toegevoegd wordt wie wat zegt.
Ik begrijp wel waarom Robben dat weggelaten heeft, steeds aankomen met ‘en toen zei ik’, en toen zei zij’, ‘en toen zei ik’ maakt een verhaal schokkerig maar dat dwingt de schrijver wel om het bondig te houden en geen derdepersoons-proza in de mond van een ik-verteller te leggen. Show, don’t tell. Laat zien wat er gebeurde, niet uitleggen. Maar soms is uitleg noodzaak. Soms vragen verteller, verteltijd en verhaal om uitleg en bondigheid.
Voorbeeld. De jongen zegt (onderaan bladzijde 16):

‘Hij was onder water.’
‘Wat zeg je?’
‘Ineens.’
‘Wat was er ineens?’
Ik haalde mijn schouders op.

De vader was onder water? Ik denk het. De verteller weet dat de vader onder water was, alleen durft hij het op dat moment nog niet tegen zijn moeder te zeggen. Daar gaat deze scène over. Daarom haalt de jongen weer zijn schouders op. De moeder voegt op de volgende bladzijde zelfs nog toe: ‘Haal toch niet steeds je schouders op als ik je iets vraag.’ Zij heeft beter door dan de verteller dat schouder ophalen heel irritant is, ook voor een lezer.
Het verhaal van de vader wordt opgerekt en verpakt in een filmische show don’t tell-scène waarin alleen de dialoog tussen twee karakters weergegeven wordt. Eigenlijk is alleen de moeder toehoorder, in het verleden. Als de ‘ik’ een echte sterke verteller zou zijn die de lezers ziet als luisteraars, dan zal hij zijn verhaal nooit in deze literaire vorm gieten, dan zal hij altijd duidelijk maken wie wat zegt, als hij al zo nodig precies moet aangeven hoe de dialoog ging, want de kern van het verhaal gaat om de vader die niet komt voor de soep. Die soep is misschien een overbodig detail.
Een echte sterke verteller hakt er meteen in, zoekt de kern, probeert helder te zijn.
‘Toen ik met mijn vader ging zwemmen kwam hij niet achter me aan uit het water. Ik ging naar huis. Ik ging gewoon soep eten bij mijn moeder, die dacht dat pa wel zou komen. Maar hij kwam niet.’
Dat is het verhaal, dan blijft de lezer zitten en luistert hij. Dan krijgt de lezer de spannende vraag opgeworpen: waarom is de soep voor hem belangrijker dan het leven van zijn vader? Die vraag schept voor de lezer ruimte voor het vervolg van het verhaal. De lezer wil het karakter laten uitzoeken waarom hij die vader achter liet.
Nu legt Robben alle dialoogzinnen letterlijk in de mond van de zoon en de moeder, en dat vanuit de jongen die de lezer achteraf informeert.

‘Hij wilde achter mij uit het water klimmen.’
‘Zijn jullie gaan zwemmen?’
‘Nee.’
‘Jij wíst dat dat niet mocht.’
Ik schudde mijn hoofd.
‘Wat is het nou?’
‘Toen ik omkeek, zwom papa ineens onder water.’
‘Onder water? Zomaar?’
Ik wilde mijn schouders niet ophalen, maar ik deed het per ongeluk wel.
‘Hij moet toch wat gezegd hebben?’
‘Weet ik niet.’
‘Waar ging hij dan heen?’
‘Weet ik ook niet.’
‘Weet ik niet, weet ik niet, weet ik niet. Welke kant op?’
‘Ik kon het niet zien.’
‘Maar je zegt net dat hij na jou uit het water kwam.’
‘Niet.’
‘Wat niet?’
‘Ik heb niet gezwommen.’
In een flits greep ze met haar hand naar mijn zwembroek en voelde aan de stof.
‘Zit jij te liegen?’
Mijn hoofd kon niet stoppen met schudden.
‘Waar waren jullie?’
‘Bij het zand.’
‘En daar zwom hij weg?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Bij de rotsen.’

In dit proza ben ik de verteller kwijt. In dit proza is de literaire schrijver dominant. Karakters, verteller, verhaal, toehoorders, zwemmen, soep zijn allemaal ondergeschikt aan de schrijver.
Ik begrijp dat de literator heel precies wil terughalen wat er tussen die twee gezegd is, en dat is legitiem want er zit veel spanning in de situatie, echter geen mens vertelt op deze manier een verhaal. Aan de andere kant… een lezer struikelt hier niet over, die verkozen dit boek tot winnaar van de Debutantenprijs, en ook jury’s lezen over dit zwabberende perspectief heen want Birk won de Dioraphte Literatuurprijs en boekhandelaren schonken het boek de Boekhandelsprijs. Ik hou meer van proza waarbij tijd en plaats en verteller een strak geheel vormen zodat de lezer het verhaal op een organische en natuurlijke manier tot zich krijgt.
Graadmeter is de kroeg. Een onbekende die aan een bar tegen mij en anderen begint over dat zijn vader met zwemmen vermist was en dan zegt: ‘Hij moet toch wat gezegd hebben? Weet ik niet. Waar ging hij dan heen? Weet ik ook niet. Weet ik niet, weet ik niet, weet ik niet. Welke kant op?…’ die kan ik niet volgen, die kan niemand volgen, die zal binnen de kortste tijd afgekapt worden of geen toehoorders meer hebben.

«
»

Jan van Mersbergen

7 Responses to “wie wat zegt”

Jan van Mersbergen