Donald Ray Pollock las als eerste, ik zou daarna komen, en daarna nog drie schrijvers. Ik wist niet dat Pollock er zou zijn. Ik had zijn eerste roman gelezen: The Devil All The Time, vertaald als Al die tijd de duivel, bij uitgeverij Karaat. Mooi en vreemd en vol cowboyboek, vond ik. Met veel geweld en lompigheid, veel rare sprongen ook.
Pollock heeft een nieuwe roman en daar las hij uit voor. Ik kon zijn verhaal niet volgen. Ik keek naar hem en dacht aan Ohio en aan een papierfabriek. Ik had ergens gelezen dat hij tot zijn vijftigste in een papierfabriek gewerkt had in een plaatste dat Knockemstiff heet, en toen ging hij schrijven. Die plaatsnaam vergeet je niet gauw, zo heet ook zijn verhalenbundel. Knockemstiff. Klinkt als: Sla-m verrot.
Pollock is klein en broos. Brilletje op. Hij oogt oud. Het was vrij koud in de festivaltent, hij had zijn jas nog aan. Een zwarte rechthoekige jas met ‘Colombia’ in witte letters op de borst. Het is een echte boer. Zijn haar kort en netjes. Zijn bril niet modieus maar gewoon een paar glazen om mee te kunnen kijken. Die kleren, een rechte spijkerbroek, goeie schoenen, die jas. Zijn houding kalm en bescheiden. Zijn accent, murmelend. Een boer.
Hij las zijn tekst, ook als een boer. Hij maakte geen show. Dat werkt in Nederland niet. Het was een pitch voor nieuwe boeken voor internationale uitgevers, dan moet je die mensen zien te pakken, met een verhaal. Alleen een stuk voorlezen, dan verliest de zaal zijn aandacht. Pollock las veel te lang, zei thank you, en ging weer naast het bad met ijsblokjes en bierflesjes staan.
Daarna las ik een heel kort stukje uit mijn nieuwe roman, de eerste keer dat ik zoiets deed en meteen las ik in het Engels, uit een proefvertaling. Voorafgaand aan dat lezen sprak ik uitgebreid over de paarden die op het omslag staan. Dat wilde ik graag: een boek met paarden erop, want Amerikaanse boeken met een paard erop zijn altijd goed. Die stelling had ooit zelfs de krant gehaald, want kranten vinden dat soort stellingen interessanter dan schrijven op zich, dus geef ik de kranten af en toe zo’n stelling. Ik noemde Al de mooie paarden en Lonesome Dove en Plainsong van Kent Haruf en Lean on Pete van Willy Vlautin (waarover hier meer), en ook noemde ik De paardenfluisteraar, een populair maar bijzonder matig en clichématig boek met een paard op de cover, maar dat is dan ook een Engels boek. Engelse boeken met een paard op de cover zijn altijd slecht. Nu was er dus eindelijk een Nederlandse roman met een paard op het omslag, beter nog: er staan twee paarden om De ruiter!
Zo kletste ik de tijd vol.
Tijdens het vertellen en lezen keek ik af en toe naar Pollock, de onbewogen man uit de papierfabriek. Het was alsof er een oom van me stond, maar dan iets ouder en met meer haar. Ik vertelde zoals je in de Randstad over een roman moet vertellen, meer show dan voorlezen. Ergens staat dat ver van me af, want niemand in mijn familie zou dat doen. Die zouden net als Pollock zeggen: ‘This is my new novel, I will read from this novel.’ En lezen maar.
Erik Jan Harmens en Kat Kaufmann lazen ook nog. Allebei deden ze dat goed. Niet te lang en met veel tonen en pauzes. Veel ritme. Dat is te verklaren: Harmens is dichter en kan goed optreden, Kaufmann – zo ontdekte ik – is naast schrijver ook zangeres.
Als laatste moest Christophe Vekeman voorlezen. Meteen in zijn eerste zin corrigeerde hij de gespreksleider die zei dat Vekeman acht boeken had geschreven, en Vekeman reageerde meteen: ‘Ik wil niet overkomen als iemand die het beter weet maar ik heb veertien boeken geschreven.’ Dat begon al goed. Bij mij worden ook altijd telfouten gemaakt, ik zeg er nooit iets van. Tellen is moeilijk – wat tel je mee en wat niet? De gespreksleider had waarschijnlijk de romans geteld en dat klopt volgens mij wel, een stuk of acht romans heeft hij geschreven, allemaal van rond de tweehonderd pagina’s. De gespreksleider had de essays en gedichten en verhalen niet meegeteld. Vekeman deed alsof zijn halve oeuvre vergeten was. ‘Ik heb veertien boeken geschreven.’ Ook dat klopt, maar hij had ook kunnen zeggen: ‘Ik heb acht romans en nog wat andere boeken geschreven.’ Dan kom je werkelijk niet over als iemand die het beter weet. Hij had ook niks kunnen zeggen, dat was het beste geweest. Dat had Donald Ray Pollock gedaan.
Ook Vekeman las erg lang voor en het was niet goed te volgen maar wat het meest opviel: zijn outfit. Ik weet dat de Vlaming Vekeman schrijft over countrymuziek en dat hij cowboykleren draagt – strakke spijkerbroek, overhemd, spijkerjas, cowboyhoed – het was niet de eerste keer dat ik hem zag en op foto’s en in de krant draagt hij ook die hoed, maar in het gezelschap van Pollock was zijn pak opeens heel vreemd. Het was net of iemand van het festival de Belg gevraagd had of hij zich wilde verkleden. ‘Trek dan zo’n cowboypak aan, zet die hoed op. Dat past bij je boek. Dat is leuk.’ En dat had hij dus gedaan, maar niet vanwege dat advies, hij doet gewoon altijd die kleren aan. Hij kleedt zich ook niet om, ook voor en na het optreden heeft hij die kleren aan. Vekeman stond op dat kleine podium alsof hij aan de start van een rodeo stond. Of een line dance avond.
Dat was me eerder nooit opgevallen maar nu voelde het zo, omdat er nu een echte Amerikaanse boer toekeek, in een rechte Colombia-jas. Uit de papierfabriek.
Toen Vekeman las zag ik Donald Ray Pollock naar de Vlaamse cowboy kijken. Niets verraadde zijn gedachten. Pollock luisterde beleefd, applaudisseerde en ging weer weg. Dat is de echte cowboy. De ware authentieke Amerikaanse boer die de dingen doet die hij moet doen in zijn warme jas. Die rustig om zich heen kijkt en zich niet gek laat maken door de buitenlandse uitgevers, internationale schrijvers, wannebee cowboys en wat er daar al niet meer rondliep.

Jan van Mersbergen

23 Responses to “de echte cowboy”

Jan van Mersbergen