Bij ieder boek is het afwachten wat de reacties zijn. Recensies, maar ook lezersreacties. Ik volg dat op de voet, vooral omdat ik keer op keer benieuwd ben naar wat een boek kan doen, wat de lezerservaring is. Dat is het belangrijkste voor een schrijver: wat doet het boek met de lezers? De vele enthousiaste reacties neem ik met genoegen tot me, eerlijk waar, maar juist die paar lastige reacties houden me langer bezig. Dat is de verhouding.
Een opvallende reactie op de thriller was: ‘Ik wist halverwege al hoe het af zou lopen.’ Tussen al die andere, over het algemeen positieve reacties is die me het meest bijgebleven. Deze mededeling gaat over de leeservaring, maar ook over het boek, want in het vervolg wordt er een oordeel over het boek gegeven. Natuurlijk kun je aanvoelen hoe de zaak in elkaar zit, maar de werkelijke motieven achter de vermissingszaak, zijn op geen enkele manier uit het boek te halen. Wat dan overblijft is de vraag waarom een lezer zijn eigen superioriteit moet koppelen aan een boek.
Een lezer die stelt dat het boek minder spannend is dan verwacht zegt meer over zichzelf dan over het boek. Dat is belangrijk. ‘Verwacht.’ Om dat woord gaat het.
Op internet zei ook iemand: ‘De gekozen vorm haalt de snelheid uit het verhaal alsof er iemand voor je voeten loopt in de supermarkt als je haast hebt. Dit kost de helft van het boek. Dat had ook in 1 hoofdstuk gepast kunnen worden.’ Natuurlijk bepaalt de vorm het tempo, maar deze lezer wil blijkbaar een andere vorm, omdat een andere spanning hem beter ligt. Ergens zegt dat dus ook meer over hem, als lezer. Dat hij er meteen bij vermeldt hoe het boek wat meer tempo had kunnen krijgen vind ik schattig, dan wordt hij een schrijver. Ik ben dan ook benieuwd naar zijn proza.
Nog een opvallende reactie: een recensent die zich in allerlei bochten wringt om over boeken te schrijven ondanks de herhaaldelijke belofte aan mijn uitgeverij om er niet over te schrijven. Dat voelt angstig en ook hijgerig. Dat per se mee willen doen. Als deze recensent dan zogenaamd vrijuit zijn mening geeft maar direct daarna de uitgeverij opbelt om toch maar weer de kans te krijgen ook over andere boeken te mogen schrijven, dan lijkt hij op een toeschouwer die ver van het spel tussen schrijver en uitgever staat, die zelfs ver van andere lezers staat, omdat hij eigenlijk ook mee wil doen, niet op de tribune tussen de lezers, maar dichtbij de spelers, bij de dug-out, misschien zelfs een paar minuten in het veld. Het is een toeschouwer die vanaf de tribune schreeuwt hoe het moet, maar iedere week blij is een toegangskaartje te kunnen bemachtigen.

Jan van Mersbergen