De dagen dat we dat tuinpad moesten maken aan de dijk en veertig jaar terug in de tijd gingen, vanaf toen gerekend. Halverwege de dag in een klein keukentje zitten waar de oude vrouw rode kool maakte in een pannetje op de stoof. We kregen er aardappels bij. Er werd ons niks gevraagd, dat was ons eten voor die middag. Een glas melk erbij. Er was geen geluid in dat huis, geen huisdieren, ze had geen kinderen, alleen een broer die ook al oud was maar die elders aan het eten was, zei ze. De aannemer keek uit het raam. Meestal sprak hij veel en was hij druk, maar ook hij paste zich aan deze omgeving aan en hij keek uit het raam, of de kruiwagen er nog stond, natuurlijk stond die er nog. Het zand was gladgestreken, die middag konden de tegels erin. Zestig bij zestig, van die grote zware tegels. Zand erover, aanvegen, klaar. Die oude vrouw had haar leven lang naar de moestuin gelopen over een aangestampt pad dat veranderde in een modderpaadje, als het geregend had, en die laatste jaren van haar leven kreeg ze een tegelpad. Ze roerde in de pan. We zagen aan haar dat ze nu al uitkeek naar een wandeling naar de moestuin, niet om iets te gaan halen, gewoon om even te kijken, om even over die nieuwe pad te kunnen lopen.

Jan van Mersbergen