Bij school schermt een muurtje het kleine schoolpleintje af van het fietspad. In de ochtend komen hier weet ik hoeveel mensen met de fiets en er is weinig plek om al die fietsen kwijt te kunnen: tegen dat muurtje, tegen de ouwe lelijke kerk tegenover de school, verderop in de straat. Dus wat gebeurt er: vooral mensen die te laat komen en haastig hun kinderen die school in willen duwen, omdat ze thuis niet het overwicht hebben om die kinderen op tijd met hun jasje en hun tasje de deur uit te kunnen krijgen, die mensen rijden door tot bijna voor de deur, desnoods over de stoep waar de ouders lopen die op hun gemak afscheid hebben genomen, die nog even wat kletsen over het weekend. Dus wat eigenlijk gebeurt: een botsing tussen chaoten en planners. Tussen niet-nadenkende egoïsten die te lief zijn voor hun kroost en sociale mensen die liever niet hebben dat hun kind het begin van de les ophoudt. En wie moet er dan een pas opzij doen? U raadt het al. Altijd dezelfde die hun fietsen door andere mensen heen willen rammen, die nog net sorry kunnen zeggen maar eigenlijk te veel ruimte innemen, die netjes knikken als ze de nieuwsbrief van school lezen waar vriendelijk in gevraagd wordt om op tijd te komen en om de krappe ruimte op de stoepjes niet vol te plempen met fietsen en zeker niet om die fiets naast de voordeur te zetten, maar dat toch doen. Die ene moeder met dreadlocks, die ene vader met zijn grijze fietstassen die doet of de hele wereld van hem is, de bakfiets met de draaicirkel van een giertank. Ik weet precies wie het zijn. De andere mensen ken ik ook: die rustig aan doen, de hele ochtend al, die streng zijn voor hun kinderen maar ze ook leren dat je met meer op deze wereld bent. Die eerste ochtend na Pasen botste het. Ik had afscheid genomen van mijn dochter boven bij de klas, liep fluitend de trappen weer af, probeerde buiten tussen het doolhof van fietsen door te schuifelen naar mijn fiets die altijd tegen het kerkgebouw staat, want als je op tijd komt is er plek zat. Ik was al halverwege, bijna bij het fietspad, de interim-directeur stond al bij de deur om de laatste kindertjes binnen te laten, de sleutel in haar hand, en toen kwam ze aanrijden: de stressmoeder met haar stresskind achterop en die moest en zou natuurlijk voor mij tussen de fietsen van die andere stressouders doorglippen, die verwachtte dat die relaxt fluitende vader wel even een pasje opzij zou doen, zo van: kom maar hoor, ik wacht wel, ik wurm me wel tegen die andere fietsen aan en hou mijn buik in, ik begrijp dat jij je zooi niet op orde hebt en dat anderen daarvoor even plaats moeten maken. Zo keek ze, het was geen verontschuldiging, het was een meelijwekkende oproep tot begrip, dat lag op haar gezicht, dat straalde ze uit. Als jij maar even meewerkt dan is mijn bloedje nog net net net op tijd.
Nou, daar had ik dus de ochtend geen zin in!
Ik deed niks, ik ging alleen niet aan de kant. Ik nam mijn plek in, verder niks. Die strijd wil ik best aangaan. Ik zei nog niks, ik keek alleen, en niet alleen naar de moeder maar ook naar haar kindje want daar draait het allemaal om. Dat zwikkie samen. Het was een donker jongetje, het kussen nog in zijn haar, broodkruimels aan zijn mond. Ontbijten achterop de fiets, het maakt mij allemaal niks uit, als ze maar niet aan me vragen een stap opzij te doen. Ze zag het wel aan me. Die gaat niet opzij. Ik wachtte tot ze die mamafiets van haar achteruit terug het fietspad op reed en ze schichtig een andere weg zocht, of een parkeerplek. Dank je wel, zei ik. En toen ze voor me uit langs het muurtje liep en de fiets dan toch maar tegen een andere mamafiets aanzette en dat ventje uit het zitje wilde tillen hoorde ik de schooldeur achter de interim-directeur dichtvallen.

«

Jan van Mersbergen