Een verhaal uit Japan gaat over een mus met een gebroken pootje. Die mus ligt bij een oud vrouwtje in de tuin, met zijn gebroken pootje, en die vrouw is heel lief voor dat beestje, pakt hem op en verzorgt hem voor zover je dat bij een klein vogeltje kunt doen. Ze stopt hem in een kooitje, niet om op te sluiten maar om bij te kunnen laten komen. De mus krijgt zijn rust en herstelt, en op een dag fladdert en hupt hij weer vrolijk door het kooitje en de vrouw besluit hem los te laten, weer de wereld in te sturen. De mus vliegt weg. De mus echter vliegt niet meteen weg, is niet meteen verdwenen. Hij komt terug en tsjilpt op de vensterbank van het raam van de vrouw, en als ze komt kijken ziet ze dat de mus pompoenpitten neergelegd heeft, op de vensterbank. Als bedankje, denkt ze. Dan vliegt de mus weg. De vrouw stopt de pompoenpitten in de grond en er groeien prachtige planten uit maar niet met gewone pompoenen eraan maar hele grote mooie pompoenen waar onophoudelijk rijst uit komt, net naar gelang de vrouw het nodig heeft. Een eeuwige bron. Daarmee heeft de mus de oude vrouw bedankt. De vrouw heeft het goed, met de rijst. Ze voelt zich rijk. In het dorp woont echter een andere oude vrouw die vreselijk hebzuchtig is en als die van het verhaal van de vrouw en de mus en de pompoenen en de rijst hoort wil ze ook zo’n rijstbron. Ze besluit een mus te vangen, zijn pootje te breken en hem te verzorgen in een kooitje. Die mus herstelt ook en als ze hem weer loslaat brengt die mus ook pompoenpitten naar deze oude vrouw, op haar vensterbank. Ze plant de pitjes en er groeien planten uit en daar groeien pompoenen aan maar er komt geen rijst uit de pompoenen, en als ze woedend de pompoenen kapot slaat komen er slangen, duizendpoten, horzels en hagedissen uit. Deze oude hebzuchtige vrouw wordt waanzinnig en zo sterft ze.

Jan van Mersbergen