De bus rijdt over de snelweg. De bus gaat naar het zuiden. Mijn kinderen zitten voor me in de bus. Mijn kinderen gaan naar opa en oma. Mijn kinderen spelen een spel op een telefoon. Er zitten barsten in het scherm van de telefoon. Ik kijk uit het raam van de bus. Ik zie weilanden en een sloot en een molen. De bus rijdt door de weilanden. Ik zie witte koeien in het weiland. De bus is bijna leeg. Voor ons in de bus zitten twee Polen. Het zijn geen toeristen. De Polen zijn werklui. Er zitten vlekken op hun kleren. De Polen kijken niet naar de weilanden en ook niet naar de molen. Ze kijken op hun telefoons. Ik lees een boek van James Ellroy.

Jan van Mersbergen