Hoe ver reikt taal? En dan bedoel ik niet schreeuwen en ook niet onze taal die aan landsgrenzen gebonden is, ik bedoel: hoe ver kan taal je hart binnendringen? Je hart open zetten. Je hart verscheuren?
In een moderne tijd waarin schreeuwende taal het internet en daarmee de communicatie beheerst, waarin een verdronken asielzoeker gebruikt wordt als onderwerp voor een sinister lolletje van een webredacteur, in taal die enkel afstompt, en waarin de ophef over dat stuk tekst onevenredig groot is en de excuses hypocriet omdat er morgen weer een nieuw lolletje zal verschijnen, in die tijd is het een verademing voor een boekenkast te gaan staan, een goed boek te kiezen en te herlezen. Het gevoel te herinneren van de eerste keer dat ik een stuk tekst las, en dat gevoel nu weer herbeleven, anders, ouder, dieper soms nog.
Als Primo Levi in Is dit een mens (de vertaling die ik heb, uit 1963, heet: Eens was ik een mens en heeft een huiveringwekkend omslag) overschakelt van de verleden tijd naar de tegenwoordige tijd weet je dat het menens wordt. Nu zijn we er. Nu begint zijn relaas over zijn verblijf in Auschwitz. Nu zijn we bij het einde.
De reis van Italië door Zwitserland, Tsjechië, Polen was nog in de verleden tijd, een korte anekdote bijna, dromerig over de laatste Italiaanse plaatsnamen op de borden, het lange stilstaan en een vrouw die de hele reis naast hem was geweest, ‘die net als ik tussen de anderen stond vastgeklemd. We kende elkaar al jaren en het ongeluk had ons samen getroffen maar we wisten weinig van elkaar af. Op het beslissende ogenblik zeiden we toen dingen tegen elkaar, die onder levenden niet worden gezegd. We groetten elkaar en het was maar voor een ogenblik. Ieder groette in de ander het leven. We waren niet bang meer.’
Al in de trein, al toen ze naar de trein gebracht werden, wisten ze dat ze zouden sterven. Levi stierf niet, hij kwam in de hel en dat was ook voor de verteller Levi het nu want als ze in het kamp aankomen zegt hij: ‘Dit is de hel. Zó moet in onze tijd de hel eruitzien.’
Er is geen verleden meer, er is geen toekomst meer. Geen perspectief, en daarom klopt het perspectief. Deze verteller weet dat het afgelopen is. Hij herkent in het afnemen van kleding en schoenen en het wachten in een doucheruimte een groots opgezet plan om hen te beledigen en vernederen. Als iemand hem vraagt of de vrouwen er ook zo aan toe zijn stelt Levi de man gerust, ‘want hij heeft een vrouw en dochter.’
Dat lieve en leugenachtige geruststellen, dat steeds zoeken naar een beetje menselijke waarde in deze allesvernietigende omgeving, maakt dit boek zeer indrukwekkend en juist uiterst levendig. De paradox van tekst en onderwerp.
Berekenend, dat moest je zijn om te overleven. Boerenslimheid, hardheid. Signalen opvangen, lezen, duiden. In het kamp was van de tatoeages op de pols bekend waar ze voor stonden. Tussen de 30.000 n 80.000: dat waren Polen, die hadden in het ghetto gezeten en hadden al erg veel geleden. Tussen de 116.000 en 117.000, daarmee moest je oppassen, dat waren Grieken uit Saloniki. ‘Daarmee zakendoen en je kon zo een kat in de zak kopen. Ook al waren er nog maar veertig in leven.’
Brood is voedsel en ruilmiddel. Brood geeft de perceptie weer. Hoe zie je de dingen? ‘Het heilige grauwe hompje brood, dat zo kolossaal groot lijkt in de hand van je buurman en zo klein om van te huilen in je eigen hand.’
Het belang van schoenen. ‘Men moet vooral niet denken dat in het kampleven schoenen een factor van secundair belang zijn. De dood begint bij schoenen.’
Ondanks die overlevingsmodus weten Levi en de zijnen steeds: alles wordt hen afgenomen. ‘Niets behoort ons meer toe. Onze kleren hebben ze ons afgenomen, onze schoenen en ook onze haren. Als we iets zeggen, zullen ze niet naar ons luisteren, dan verstaan ze ons niet. Ook onze naam gaan ze ons afnemen. Als we die willen behouden, dan moeten we in ons zelf de kracht daarvoor vinden, zodat er door die naam nog iets van onze persoonlijkheid overblijft, van ons, zoals we waren.’
Als de gevangenen soep krijgen weten ze dat ze pas in de rij moeten gaan staan als die rij zo en zo lang is, want de eersten die hun honger niet kunnen bedwingen krijgen een schep soep van boven uit de pan en het beetje aardappel en groente dat in de soep zit zinkt naar beneden en wil je overleven dan moet je die schep soep te pakken zien te krijgen. Die calculerende factor, dat gruwelijk menselijke overlevingsmechanisme, wordt door Levi ijskoud beschreven en raakt iedere lezer als een mokerslag.

«

Jan van Mersbergen