Op de zwaan hadden we niet gerekend. Wel op de meerkoetjes die vochten met elkaar. En de eenden, nijlganzen leken het, maar dan kleiner. We gooiden brood in het water. Die kleine begreep het wel maar gooien kan hij nog niet echt. Hij probeerde wel zelf het brood op te eten, iets waar hij thuis soms geen zin in heeft, maar hier aan de kade bij het open water met de woonboten in de verte aan de overkant en de wind op zijn gezicht, wilde hij het wel proberen. Er lag veel kak op de brede houten steiger. Flinke hopen. Geen eendenkak en ook niet van die meerkoetjes, van grotere beesten. Ganzen, dachten we. En toen kwam de zwaan aanvliegen. Hij kwam van de sluis vandaan en hij vloog laag over het water. Hij strekte zijn poten en maakte van zijn zwemvoeten een landingsgestel en toen schoof hij als een waterskiër over het water. Hij joeg alle andere watervogels weg. Hij was de koning hier. Ik gaf hem het laatste brood. Hij at het bijna uit mijn hand.

»

Jan van Mersbergen