Met twee tieners in huis is het wachten op pukkels en die ochtend, toen ze uitgeslapen had en beneden kwam was het beginnende pukkeltje dat de dag ervoor al in aanzet op haar neus te zien was flink gegroeid, dus ik zei: Zo kun je echt de straat niet op hoor. Ze wist meteen waar ik het over had want die tieners zijn ijdeltuiten, alleen als ze net tien zijn zien ze wat ze willen zien en de hoop dat het allemaal wel meevalt verblindt ze. Het was erg grappig. Ik plaag haar veel en aan die plagerijen kan een mooi hoofdstuk bijgeschreven worden, en een zeer gemakkelijk hoofdstuk want ik hoefde verder die ochtend alleen maar naar haar te kijken ze wist wat ik wilde zeggen. Handig. Toen ik even de straat op was op een fiets in het rek bij het voetbalveld te gaan zetten en even later weer terug kwam stond ze triomfantelijk bovenaan de trap. Nu hoefde ik niks te zeggen en ook amper te kijken want ik wist wat ze in de badkamer gedaan had. Ze zei nog wel: Mijn neus is nu wel rood. Dat klopte, maar dat trekt wel weg. Dit was beter dan die enorme witte champignon die in de nacht gegroeid was op die voedingsbodem van chocopasta en ijs en snoep.

«

Jan van Mersbergen