Toen ik het meest recente lijvige mooi uitgegeven boek van Aukelien Weverling in handen kreeg gedrukt, op een vrijdagavond in café de Pels, stak ik het in mijn jas, hoopte dat de stofomslag niet te veel beschadigd zou worden en legde het uiteindelijk thuis op de stapel boeken die ik nog van plan ben te lezen, maar al de volgende ochtend sloeg ik de roman open, las een stukje, sloeg het boek weer dicht, ik was in de war. Dit vlotgebekte harde proza, sfeervol en ruim opgezet, was dat echt het proza van Weverling, die een jaar of tien geleden in diezelfde Pels nooit geld had en bij tafeltjes aanschoof om biertjes te bietsen, of sigaretten? Iemands geldzaken zijn mijn zaak niet, behalve wanneer deze houding een kroegtafel overheerst. Aan zo’n tafel is gelijkwaardigheid en gelijke inzet erg belangrijk. Gelukkig spelen die zaken in romans geen rol, het is niettemin moeilijk dit boek te lezen zonder dat verouderde beeld van de schrijver in mijn hoofd toe te laten. Dus nam ik me voor In alle steden te lezen als de nieuwste Amerikaanse roman die ergens in de Mid-West speelt. Desnoods de nieuwe David Ray Pollock, maakt niet uit welke naam je erop plakt. En dan werkt het wel. Dan kan ik het geweld en de moeilijke klassieke namen van de proloog hebben, dan zie ik al die alinea’s die met ‘En…’ beginnen, dan ga ik volledig mee in de passages van deze vlotte problematische en innemende verteller, dan meen ik zelfs dat de quotes op het omslag kloppen: ‘Zo’n kracht heeft de Nederlandse literatuur nodig’ en ‘De Nederlandse literatuur is verrijkt.’ Toch… Ik las het begin van In alle steden en kreeg meteen het gevoel dat dit boek een verzameling schetsen en beelden is die je evengoed door elkaar kunt lezen, en dat deed ik. Boek ergens openslaan, en lezen. Niet het verhaal leidde me maar zinnen als: ‘En zo liep ik nog geen dertig minuten later naar huis bepakt en bezakt met het varkensvlees van die knakker die goed geweten had hoe hij ervan afkwam. Alles had hij van me afgenomen, behalve een beschimmelde sinaasappel en een pak melk dat het niet lang meer zou houden.’ Hier gaat het om de sfeer en het tempo, hier gaat het om de beelden en details. Op deze manier, door het lezen van slechts flarden, voel ik wat deze schrijver wil en word ik niet gehinderd door de ongeloofwaardige zinnen over alcoholgebruik die tegen het romantische aanzitten, en ook niet door de maatschappelijke onderlaag van het boek die ergens tegen een pamflet aan schuurt. Ik sla gewoon een paar bladzijden over en zoek een mooie zin. Een manier van lezen die het boek en de schrijver geen recht doet, dat begrijp ik wel, maar wel voor mij een manier om hardnekkige beelden en vooroordelen via proza te lijf te gaan.

»

Jan van Mersbergen