Ik haalde driehonderd euro uit de pinautomaat want aan de kassa kon je waarschijnlijk niet pinnen. In de winkel kreeg ik koffie en een stuk gebak. De afdeling waar ik moest zijn was op de eerste verdieping. Er klonk zachtjes muziek. Aan alle kleren zaten kaartjes; aan de lusjes van de broeken, aan de mouwen van de jasjes, aan de boorden van de bloesjes, aan de randen van de hoeden. Maat en prijs stonden er op, allemaal heel duidelijk. Eerst een broek, die was vijfenzestig. Hij zat lekker, niks meer aan doen. Het vest was vijfendertig, blouse twaalf vijftig, een hele mooie hoed in precies de juiste maat voor dertien vijftig en als laatste een mooie lange zwarte jas van vijfenzeventig euro. In totaal ruim tweehonderd euro. Ik vroeg korting. Dat doe ik altijd, het is een spel. Het was de vierde keer deze winter dat ik ging winkelen. Echt winkelen, bedoel ik. Geen boodschappen of een verjaardagscadeau, dat zijn de standaarddingen. Dit was het echte werk. Eerder kocht ik een prachtig groen vest en ook een hoedje bij het Waterlooplein. Het hoedje was tien euro. Er zat een scheur in de bovenkant. Ik liet de man van de kraam de scheur zien en kreeg het hoedje mee voor vijf. Een week later haalde ik een mooie broek die tot net over mijn knieën valt bij een klein winkeltje in de Sint Antoniesbreestraat, kousen ook erbij. Bijpassende sierraden zijn een grotere uitdaging, een broche, een armband, een speld voor op de hoed. Een veer vond ik, daar was ik erg blij mee. Die kostte zeven euro. Dat is heel veel voor een veer. Ik zoek nog schoenen. Dat is misschien wel het allermoeilijkst, passende schoenen die lekker zitten.

«

Jan van Mersbergen