De man uit Moskou wachtte tot Iwan de deur uit was en kwam de keuken in. Ik zat aan de keukentafel. Er is koffie, zei ik en hij zei dat hij graag koffie wilde. Dank u wel, zei hij.
Ik wees hem het aanrecht waar de ketel staat en de haken waar de bekers aan hangen en hij schonk in. Toen hij tegenover me aan de tafel zat en het zonlicht door het raam op zijn kruin viel zei hij: Iwan zei dat u ook gebokst heeft.
Dat heb ik ja.
Dus hij heeft het niet van een vreemde.
Nee, zei ik, hij heeft het niet van een vreemde. Het boksen heeft-ie van mij, maar als het om vechten gaat dan heeft-ie meer van zijn moeder.
De man uit Moskou pakte zijn beker en blies.
Ze leeft niet meer, zei ik. Zijn moeder leeft niet meer.
Ik vertelde dat ze stierf toen Iwan negen jaar was en dat hij toen al heel fanatiek bokste. Bij de begrafenis had hij zijn trainingspak en zijn bokshandschoenen aan. Ik heb hem nooit gezegd dat hij die dingen uit moest doen, ook toen niet, en toen hij een handje grond op de kist moest gooien graaide hij met zijn handschoenen wat grond bij elkaar en wierp het in het graf van zijn moeder.
De man uit Moskou keek naar haar foto die naast de kast hangt, waar ze voor het huis staat, maar hij zei niets en ik kan hem geen ongelijk geven. Hij was hier voor iets anders. Toen ik mijn koffie op had en hij ook, en ik nieuwe inschonk, zei ik: Ik heb veel gebokst ja.
Hoeveel wedstrijden? vroeg hij.
Ik zei: Iedere dag deden we een wedstrijd.
Iedere dag?
Jaren achtereen.
Hij zei niets meer. Even verbaasd als alle andere mensen die dit horen. De mensen geloven het niet. Waarom zouden ze het ook? Ik weet dat het absurd is om iedere dag te boksen, maar we deden het.
Ik zei: De omstandigheden waren anders.
Hij vroeg: Hier in Inta?
Ja, zei ik kort, want deze man kent Inta. Iedereen kent Inta.
En iedere dag loopt u naar het hek, zei hij.
Ik vroeg hem of Iwan dat verteld had.
De man uit Moskou knikte en ik zei: Iedere dag.
Hij was even stil en vroeg toen: Wat is zwaarder? Het boksen toen, of het lopen nu.
Ik moet lang gewacht hebben voor ik zei dat het even zwaar is, dat ik toen zestien was en dat ik nu negenenveertig ben, en oud en versleten, als een man van zeventig. Maar dat het toch even zwaar is.
Toen zei hij: En Iwan helpt u?
Ik keek hem aan. Hij wachtte mijn antwoord niet af. Hij vroeg: Heeft u Iwan echt nodig?
Nee, zei ik.
Meer dan een keer ademhalen met een klank was het niet.

Jan van Mersbergen