Bij de geitenboerderij kwamen net een heleboel ouwe geiten naar binnen. Er lag hooi in de ruiven, ze gingen eten. Eerst liepen daar alleen kipjes en die kleine van ons keek naar de tok-toks en wees ze aan, maar die geiten waren veel groter en imponerender.
Het geluid van een geit kent hij nog niet. Wel van een waf-waf en een gak-gak. Die lopen overal op straat en ook aan de kade net achter ons huis. Tussen de kipjes van de geitenboerderij zaten een kleine zwarte krielkip en een gespikkelde bruine, precies de kippen die ik op een binnenplaatsje aan de Stadhouderskade hield, gekocht op de Noordermarkt lang geleden, en waar ik een verhaal over schreef in de bundel Onze dieren.
Zo lang geleden, maar ik herinner me precies dat hok, de stok, het gaas. Ook de deur naar de binnenplaats, hoe die klemde. De kast waar het voer in stond. Het geluid van de tegels die los in de gang lagen, verzakt door lekkage, het zand onder de vloer weggespoeld. Het geluid van een broedende kip, zo zacht en volhardend tegelijk.
Toen we met die kleine bij de geitjes waren en ik vooral naar de kippen keek kreeg ik de vraag voorgelegd of ik zoiets weer terug wilde: kippen bij het huis.
Ik zei nee.

Jan van Mersbergen