Vorige week maakte ik me druk over een artikel in de Groene en eigenlijk is die discussie nu wel uitgekauwd, toch moet er nog iets aan het bericht dat ik op facebook schreef worden toegevoegd, en dat is de persoonlijke kant van dit verhaal. In beginsel gaat het artikel over schrijvers, over schrijven dus. Daar gaat die rare vergelijking tussen een stuk of vijf, zes schrijvers natuurlijk helemaal niet over, het gaat erom deze schrijvers in hokjes te plaatsen en hun verhalen over een kam te scheren zodat in het vervolg duidelijk gezegd kan worden: O, dat is een van die lompe gasten, met hun arbeidersachtergrond en ongewone beroepen die iemand op wikipedia heeft gezet. Slim speurwerk trouwens. Maar het gaat over schrijven, over de persoonlijke kant van schrijven. Over de ene schrijver die naast dat zo typische kickboxen verhalen schrijft en probeert die achtergrond van hem, die familie, die straat en vriendjes, in tekst te vatten, want dat is het enige wat schrijvers doen. En die andere, een ouwe fietskoerier, die gaat in fictie het gesprek met zijn stiefvader aan, en daarmee indirect met zijn moeder, die ik ooit bij een presentatie zag met slangen in haar neus, heel gammel maar ze was er toch. Die ene met tattoos – ook al wordt er gesteld dat ze dat allemaal hebben – die schrijft over het gezin waar hij in opgegroeid is, geen doorsnee gezin, maar wel heel precies en invoelbaar verteld. Ook bij hem gaat het niet om die krassen op zijn huid, maar om de familiebanden die veel duidelijker door zijn lijf gieren. Hoe kun je dan die tatoeages nog zien? Hoe kun je over de woorden heen lezen en steeds een schrijver met tattoos zien? Een andere schrijver houdt van toekomstfictie, betrokken verhalen, ramt een bundel de uitgeverij in en er weer uit. Maar ook hij is in eerste instantie gewoon een boer. Al deze schrijvers maken hun persoonlijke verhalen tot proza. Maar die kwetsbaarheid en het gewicht daarvan zijn dus simpelweg aan de kant te schuiven door wat schrijvers bij elkaar te harken en te zeggen: dit matige zwikkie tekstentikkers, zonder ironie of mooie bespiegelingen, gegoochel tussen fictie en werkelijkheid, deze lui vormen een groep en die groep gaan wij voortaan maar als groep zien. In mijn volgende roman kruip ik de polder in en geef ik een stem aan een man die in de polder is gebleven en zijn vriend die naar Amsterdam is gegaan om te gaan schrijven. Twee sterke harde jongens, en een van hen kucht en blaft er een vertelling van 110 duizend woorden uit. En ik weet zeker dat er straks reacties op deze roman komen waar in staat: ‘mannen van weinig woorden’.

Jan van Mersbergen