Hij legt de telefoon en de hoorn op zijn bed, gaat naar de hal, doet de deur open, en samen met de herdershond rent hij het grindpad op. Als hij bij de hoek van het huis is ziet hij nog net dat Theo de bijl met twee handen boven zijn hoofd houdt, een moment wacht en naar het blok hout kijkt, en dan de bijl laat dalen, bijna zonder kracht te zetten, zoals hij dat zijn vader en zijn broer al zo vaak heeft zien doen, en de bijl komt tegen de zijkant van het blok, ketst af en schiet door naar de linkersportschoen van Theo. Er is geen geluid, er is geen beweging meer. De bijl blijft onbeweeglijk staan. Theo houdt zijn handen om de steel en kijkt naar de schoen. Zijn adem condenseert in de lucht, de ademwolk lost op in de lucht en dan is er geen wolk meer te zien. Theo houdt zijn adem in. Het meisje wendt haar hoofd niet af en gilt. Ze gilt heel hoog en heel hard en de hond blaft. Sjef draait zich om en gaat naar binnen, naar zijn kamer. Hij pakt de telefoon weer van het bed en door het gegil van het meisje en het geblaf van de hond heen die buiten langs de rand van het grindpad draalt, zegt Sjef: Ik moet ophangen pa.
Wat is er?
Ik moet ophangen.
Hij hoort zijn vader nog iets vragen, maar drukt op de haak en houdt die even ingedrukt, voelt dat hij een paar keer diep adem moet halen, maar doet dat pas als hij de drie cijfers ingetoetst heeft, de hoorn tegen zijn oor drukt en luistert hoe de telefoon overgaat.

»

Jan van Mersbergen