Uit mijn boekenkast waar de boeken staan die ik niet in de opslag wil hebben haalde ik een Rainbow-pocket die ik twintig jaar gelden kocht – maand en jaartal schreef ik destijds altijd voorin mijn boeken – en op de cover staat: Nobelprijs voor literatuur.
Boeken van Nobelprijswinnaars heb ik een tijdje gespaard. Van de ruim honderd Nobelprijswinnaars heb ik zeker van negentig schrijvers een boek. Daar zitten heel veel lelijk uitgegeven onleesbare boeken tussen, maar dus ook deze mooie pocket van bijna 175 bladzijden met alleen poëzie: Uitzicht met zandkorrel. Van Wislawa Szymborska.
Om een of andere reden lukt het me slecht om proza te lezen, korte verhalen of kleine vertellingen lukken nog wel, maar een roman wordt steeds opgehouden door een baby die slecht slaapt en de daarbij horende vermoeidheid. Ik heb de concentratie niet. Voor poëzie wel. Ik lees een gedicht uit deze bundel, knip de lamp uit en ga slapen.
Een gedicht van Szymborska heet Water. Daarin staat de regel: ‘Je hebt huizen geblust, en huizen meegesleurd.’
Met zo’n regel kan ik met een gerust hart gaan slapen.
Er staan mooie gedichten in de bundel over een ui, over een museum, over een gesprek met een steen. Over de hemel: ‘Hiermee had ik moeten beginnen. Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten.’ Alleen een opening dus. Wijd open.
Szymborska schrijft helder en is goed te volgen en bovendien hoor ik in haar zinnen niet de gedragen stemmen die dichters vaak opvoeren als ze voorlezen. Dat trage lezen, een handje in de lucht, dat uitademen na iedere drie woorden. Szymborska zit bij mij aan de keukentafel, kijkt net zoals ik naar een ui of uit het raam, ‘We noemen hem een zandkorrel’, en in die regels begrijp ik hoe zij kijkt.
De beschrijvende gedichten liggen me beter dan de peinzende gedichten over eeuwen die ten einde lopen of de kosmos die is zoals hij is. Dat zie ik niet, dat kan ik alleen bedenken.
Die zandkorrel zie ik, vlak voor ik ga slapen.

Jan van Mersbergen