En meteen gaat mijn adem sneller en kuch ik, alsof er iets vast zit in mijn keel. Die schroevendraaier. Als ik die niet bij me had gehad.
Geen schroevendraaier nu in mijn hand, alleen in mijn gedachten, ik staar naar de pen. Laat die pen beschrijven wat er in mijn hoofd zit.
Het is zomervakantie, en ik deed wat jongens van mijn leeftijd doen in de vakantie als ze gewoon thuis zijn in hun stad: een beetje rondhangen met vrienden. Dat doen jongens nou eenmaal, niks doen. Samen niks doen. Traag over straat lopen zonder dat het verder veel uitmaakt waar naartoe. Niet dat ik dat met mijn vrienden doe, dat niet, maar die dag, het zal tegen de middag zijn geweest, sjok ik in mijn eentje naar de nieuwe supermarkt tegenover het Olympisch Stadion. Mijn vrienden zou ik later wel zien, op onze vaste plek. Niet om koeken te kopen liep ik naar de supermarkt, of chips, of cola, of weet ik wat je daar koopt voor rommel, ik was op weg naar die Albert Heijn omdat ze daar altijd mensen zoeken. Staat op die grote posters die buiten tegen het raam geplakt zitten. ‘Wij zoeken jou.’ ‘Kom je in ons team?’ Dat soort posters. En ik ging even informeren of dat iets voor mij zou kunnen zijn. Nog niet eens solliciteren of zo, alleen maar even vragen. Het was nog vroeg, die middag zou ik weer naar mijn vrienden gaan. Die kennen dat ook wel, baantje zoeken, beetje kijken, afgewezen worden. Daar hebben ze het altijd over. Ik had een afwasbaantje, maar werd weggestuurd. Waarom weet ik nog steeds niet. Alleen Snickers heeft een vaste baan, maar dat is bij zijn oom.
Ik had mijn telefoon thuis gelaten, die ligt nu nog steeds boven op mijn bureau aan de oplader. 100 procent.
Alleen mijn portemonnee heb ik bij me, een bankpas, wat kleingeld. Mijn ID-kaart, die moet je vaak laten zien als je een baantje wilt. Verder geloof ik wel dat ze me willen hebben. Ik ben groot, bijna een vijfennegentig. Ik kan bij de bovenste schappen. Ik ben sterk. Die ID-kaart is eigenlijk overbodig. Ze zullen vast wel zien dat ik al achttien ben. En mijn rijbewijs natuurlijk.
Ik heb net mijn rijbewijs gehaald, dat is heel belangrijk. Zonder dat rijbewijs was ik nooit in al die ellende beland. Op school kon ik nooit erg goed mee en mijn moeder dacht: autorijden, daar hoef je niet goed voor te kunnen leren. Dat kan Leon vast goed. Dus regelde ze rijles voor me, een van de weinige dingen die ze echt voor me geregeld heeft. Daar is ze niet goed in: iets regelen, iets af maken. Zeggen dat je iets gaat doen en het vervolgens gewoon doen. Ik ben eraan gewend en het past bij haar maar het is ook vreselijk irritant. Maar dit keer regelde ze het en ze had gelijk. Bijna nooit heeft ze gelijk, maar nu wel.
Ik slaag al na negen lessen.
Over straat dus, en ik maak mijn nagels schoon met een schroevendraaier, nog een belangrijke punt dat ik niet moet vergeten.
Die schroevendraaier had ik niet toevallig bij me. Dat rotding, ik ga bijna trillen als ik eraan denk. Beetje vreemd natuurlijk als je ergens heen gaat om een baantje te krijgen. Maar met dat ding had ik iets aan mijn fiets gedaan, de bel vastgedraaid of de rem of het spatbord, dat weet ik niet meer precies. In ieder geval een van de dingen die met schroefjes vastzitten, en niet met boutjes. Ik had die bel of de rem of het spatbord aangedraaid en liep toen gewoon door naar de supermarkt, met die schroevendraaier in de kontzak van mijn Diesel.
Op de Stadionweg, met de lichtmasten van het stadion en de oude Citroëngarage daarvoor en de Febo waar heel vaak een reiger op de stoep staat.
Zie je wel, er zijn heel veel dingen die ik nog weet en al die dingen denderen door mijn hoofd. Maar laat ik me bij het verhaal van die dag houden. Het verhaal van mij en van een …

Uit Herberekening, verschijnt eind maart 2018.

Jan van Mersbergen