Halverwege de ochtend is de stapel al een stuk kleiner. De vader vraagt of hij iets wil drinken en hij zegt: Cola.
Ik zal kijken of dat er is.
De vader gaat een deur door en komt terug met een glas cola en een glas water. Ze drinken.
Lekker, zegt de zoon. Lekker koud.
Goed zo. Wil jij nu even aan die kant staan?
Waarom?
Ik ben rechts.
Ik ook.
Ik moet steeds die planken draaien als ik er een pak. Zullen we even ruilen van plek?
Ik wil hier blijven staan. Ik sta hier al de hele tijd.
Doe toch niet zo moeilijk.
Ik wil hier staan, roept de zoon en hij houdt zijn nijptang in de lucht, de plank die hij in zijn andere hand houdt tilt hij een stukje op.
Goed, zegt de vader. Goed. Ik ga wel weer daar staan.
En ik hier.
Maar als jij dan wat planken daar neer kunt leggen, dan kan ik ze wat makkelijker pakken.
Waar?
Daarzo.
De zoon legt een heleboel planken op de plek die zijn vader aangewezen heeft en als de vader zegt dat het zo wel genoeg is werken ze verder. Het getik van de nijptangen tegen spijkers dreunt in de loods. Af en toe kucht de vader. De zoon kijkt niet op, hij kijkt alleen naar de planken die door zijn handen gaan.
Na een tijdje zegt de vader: Denk je dat je in dat bed kunt slapen?
In welk bed?
In het bed dat in jouw kamer staat, daar.
De zoon houdt zijn nijptang stil.
Is daar al een bed?
Ja. Iedereen die daar komt wonen slaapt in het bed dat daar al staat.
En mijn eigen bed dan?
Dat blijft bij ons staan, voor als je in het weekend bij ons op bezoek komt.
Gaat het niet mee?
Dat kan niet.
Ik dacht dat het mee zou gaan.
En waar moet je dan op slapen als je bij ons bent?
Tsja.
Hij trekt de spijker uit het hout, zonder zijn ogen van zijn vader af te wenden.
Een ander bed, zegt hij als hij de spijker op de grond laat vallen.
De vader knikt. Ik vroeg me af of je daar wel in kunt slapen. Ik weet nog dat je vorig jaar bij Ome Theo heel lang wakker was, toen we daar waren met oud en nieuw.
Ja.
En toen zei je dat dat kwam omdat je je eigen bed niet had.
Ja.
Dus, zegt de vader en hij legt een plank op de stapel en pakt een nieuwe. Het schiet al aardig op, zegt hij. We zijn al bijna op de helft.
De zoon luistert niet. Hij blijft onbeweeglijk in de loods staan, tussen de planken en de werkbank en na een lange stilte zegt hij: Gaan jullie mijn bed weggooien?
Nee hoor, we laten het gewoon staan.
Nee, schudt de zoon. Ik wil het meenemen.
De vader zwijgt, hij ziet zijn zoon knikken en steeds herhalen: Ik neem het mee. Ik neem het mee. Een volwassen man van vierentwintig, in een overall met een nijptang in zijn handen. Zijn zoon.
Ik zal het vragen, zegt hij.
Ik neem het mee.
Ik zal vragen of dat mag, de volgende keer.
Wil je het vragen?
Ja.
Aan de mensen van het huis, aan die mensen moet je het dan vragen, toch?
Ja, aan die mensen, aan die meneer die we toen een keer gesproken hebben.
Die meneer met dat jasje aan.
Die ja.
Die met dat jasje. Die is daar ook. Die is de baas. Dat zei mama tegen me. Ze zei: Die meneer is de baas.
Ja, en als er iets is…
Dan kan ik altijd naar hem toegaan en het hem vragen.
Juist.
De zoon ademt uit.
Jij gaat het vragen hè.
Ja.
De volgende keer.
De volgende keer als we daar zijn ja.
Ze werken verder. Als de stapel planken die ze gedaan hebben hoger is dan de stapel waar de spijkers nog inzitten zegt de vader dat ze even buiten kunnen gaan zitten, een sigaretje roken. Dat wil de zoon wel. Ze lopen naar buiten. De zon schijnt op het terrein voor de loods. Aan de andere kant van het hek ligt de weg. Rechts van de loods staat een groot huis met balkons met witgeverfde metalen hekwerken eromheen. De vader haalt zijn pakje sigaretten uit zijn broekzak, geeft er een aan zijn zoon en daarna geeft hij hem de aansteker. Ze roken, de zoon heel diep inhalerend en peinzend, alsof de rook niet alleen zijn longen, maar ook zijn gedachten vult.
Ik vind dat altijd zo’n mooi huis, zegt hij.
Dat huis?
Ja.
Hij neemt een diepe trek van zijn sigaret. De rode gloed giert door de sigaret.
Waarom vind je dat een mooi huis?
Het is groot. En het heeft een mooi dak, een puntdak, en een hele grote schoorsteen.
Dat vindt je mooi?
De zoon knikt.
Dat met die frutsels eraan?
Wat?
Niks.
De sigaret van de zoon is tot op het filter opgerookt. De vader wijst hem het brandende filter en de zoon gooit de sigaret op de bestrating.
Dan gaan we maar weer.
Komt mama nog niet?
De vader kijkt op zijn horloge. Nog een goeie drie kwartier denk ik. Dan zal ze hier wel zijn.
Ik heb nu al honger.
Ik heb niks bij me. We moeten nog even wachten.
Maar ik heb wel honger.
Dat weet ik.
Ze gaan naar binnen en werken verder.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen