De vader is tegenover zijn zoon aan de werkbank gaan staan. Tussen hen in liggen een paar planken die de zoon van de stapel heeft gehaald.
De zoon zegt: Vanmiddag gaan we naar binnen hè.
Waar?
In dat huis.
Ja.
Om het geld op te halen, toch?
Dat doen we ja, als we alle planken gedaan hebben.
Mag ik dan in de grote kamer weer naar dat schilderij kijken.
Welk schilderij?
Dat met die waterval.
Dat beweegt?
Ja, dat schilderij met die stekker eraan en als je dan op de schakelaar drukt dan gaat het water stromen.
Zoals bij de Chinees ja.
Wat?
Zo’n schilderij hebben ze ook bij de Chinees.
Welke Chinees?
Laat maar zitten. Jij vindt dat altijd mooi toch, dat schilderij. Om naar te kijken.
Ja. Heel mooi. Mag ik er wel naar kijken?
Dan moet je het even aan hem vragen.
Nu?
Nee, strakjes. Als we binnen zijn.
O.
Of moet ik het voor je vragen? Net als de vorige keer.
Doe maar.
Maar eerst vragen we ons geld. Want dat is belangrijker, hè.
Dat doen we eerst, zegt de zoon. Het geld waar we voor gewerkt hebben.
Goed zo.
De zoon legt een plank op de stapel. Hij heeft de stapel heel netjes gehouden. Op aanwijzingen van zijn vader heeft hij tussen iedere tien lagen een paar dwarsbalkjes gelegd. Nu moet hij de stoel erbij pakken om de planken bovenop de stapel te krijgen.
Kun je er nog wel bij?
Ja.
Doe je voorzichtig?
Ja.
De zoon stapt van de stoel en zegt: Ik ben een beetje duizelig.
Dan moet je even gaan zitten.
De vader loopt naar zijn zoon toe, geeft hem een arm en brengt hem naar de werkbank. Kun je hier op gaan zitten?
Ja.
De zoon zet zijn handen op de werkbank en gaat op het blad zitten. Zijn benen bungelen in de lucht.
Ben je duizelig van de honger?
Ik weet het niet. Ik heb wel heel veel honger.
Maar dat heb je toch de hele tijd, sinds je minder mag eten.
Ja.
En daar word je duizelig van, hè.
Ja. Ik ben duizelig.
Maar je weet toch wat mama gezegd heeft?
Ja. Dat ik minder moet eten.
Dat zei ze ja.
Ze zei dat de dokter dat gezegd had.
Ja, dat zei ze ook.
Heb je daarom niks lekkers bij je?
Daarom ja. Blijf maar even rustig zitten dan zal ik wat water halen. Dat helpt altijd wel.
De vader loopt de deur uit en komt even later terug met een plastic bekertje water in zijn hand. Hij geeft zijn zoon de beker. De zoon drinkt. Lekker koud, zegt hij.
Komt uit de kraan buiten. Komt zo uit de grond dat water.
Ja. Koud.
De zoon drinkt het bekertje helemaal leeg en zet het naast zich op de werkbank.
Zal ik mama even bellen om te vragen of ze iets eerder kan komen?
De zoon schudt zijn hoofd.
Waarom niet?
Ze komt toch niet.
Jawel hoor, dat heeft ze vanochtend toch gezegd.
Ze komt niet meer.
Waarom zeg je dat?
Dat zei jij, dat ze niet meer broodjes komt brengen.
Nee jongen, nu nog niet. Dat is pas als je daar woont. Dan krijg je daar brood.
Ze komt toch niet, zegt de zoon en hij perst zijn lippen op elkaar. Zijn blik wordt donker.
Dat moet je niet zeggen.
Jij zei het zelf, zegt de zoon en hij herhaalt: Jij zei het zelf. Harder nu.
Rustig maar jongen, zegt de vader, maar zijn zoon zegt weer: Jij zei het, en hij balt zijn vuisten en drukt zijn knokkels tegen het blad van de werkbank.
Rustig maar jongen. Mama komt zo.
Nee.
Het is bijna twaalf uur.
Nee, roept de zoon en hij slaat het zijn vuist op de werkbank, op een plank die daar ligt, op een spijker die in de plank zit. Zijn vuist schiet weer omhoog en een seconde later begint het te bloeden. De zoon zegt niets. Hij kijkt alleen naar zijn hand. De vader zegt: Kom kom kom. Maar de zoon blijft zitten. Het bloed drupt op de vloer van de loods. Kom, zegt de vader weer en hij pakt de arm van zijn zoon vast.
Bloed, zegt de zoon.
Ja, kom even mee hiernaartoe.
Maar de zoon blijft zitten. Hij kijkt opzij. Die was het.
Een bruinverroeste spijker steekt in de lucht.
Ja, die was het. Kom nou even. Of hou je zakdoek er tegenaan.
Ik heb geen zakdoek. Die zit in mijn broek. Thuis.
Neem de mijne dan.
De vader haalt een roodgeblokte zakdoek uit zijn broekzak, neemt voorzichtig de hand van zijn zoon en drukt de zakdoek tegen de wond.
Wikkel hem maar om je hand.
De zoon knikt. Dan kijkt hij naar de vloer, naar de rode vlekken. Hij zegt: Het is donker.
Wat?
Mijn bloed. Die vlekken zijn donker.
Dat hoort zo, zegt de vader. Ik maak het zo wel schoon.
De zoon draait zijn hand en kijkt naar de zakdoek, drukt hem steviger tegen de wond.
Als jij even rustig hier blijft zitten dan zal ik wel even pleisters halen. Of een verbandje met watten ofzo. Bloedt het nog hard?
De zoon kijkt niet. Hij knikt alleen maar.
Wacht hier even. Ik ben zo terug.
De vader loopt door de loods en als hij bijna bij de deur is klinkt er buiten een fietsbel.
Hoor je dat? zegt de vader en hij draait zich om.
Ja, zegt de zoon en hij laat zijn benen bungelen, drukt zijn hand tegen zijn buik en legt zijn andere hand erop.
Dus toch hè.
Ja, zegt de zoon en hij glimlacht.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen