Een dag voor ik naar het OLVG moest voor een mri-scan las ik in de hal van uitgeverij de Bezige Bij een interview met Geerten Meijsing, in de Volkskrant, waarin hij herhaaldelijk meldde dat de mri die hij had moeten ondergaan vreselijk zwaar was. Hij bleef er maar over aan de gang. Nu weet ik dat Meijsing een van de grootste aanstellers uit de Nederlandse letteren is, een schrijver die naast wat dagboekaantekeningen en boekjes die door een vage stichting worden uitgegeven geen romans van enige waarde meer publiceert, maar wel het interview in de Volkskrant begint met: ‘Dit is mijn laatste interview.’ Dat soort aankondigingen zijn prachtige poses, smeekbedes om medelijden op te roepen. De lijdende kunstenaar, in Sicilië in de zon trouwens, die geen aanleiding onbenut laat om dat lijden bij lezers neer te leggen, en dan bedoel ik lezers van de krant, want lezers van zijn boeken zijn tegenwoordig moeilijk te vinden.
Een zware mri dus, echt een beproeving. Ik had er echt zin in. Die knakker kon wel piepen in de krant, ik sloeg me hier wel doorheen. Heb wel wat meer meegemaakt, en bovendien heb ik meestal indirect over dat lijden geschreven en gepraat. Niet om het medelijden, maar om het delen van beleving en vooral het deelbaar maken van pijn.
Dat proefde ik in het interview met Meijsing nergens terug. Dat was zelfmedelijden. Dat was zenden met één been in het graf. Meijsing is echt een schrijver van de oude stempel, die wil doen geloven dat schrijven het werkelijke lijden is, maar voor wie een sullige scan ook lijden moet zijn, want een schrijver in zo’n scan, dat is dubbel heftig. En dat de mensen het weten!
In de krant zegt hij: ‘Het enige dat mij nog doet leven, is de drang om een paar dingen af te maken. Vijf boeken moeten er nog komen.’
Dat lijkt een grap, maar was uiterst serieus. Hij gaat schrijven tot hij neervalt, boek na boek, en tussendoor dus even die vreselijke mri-scan, heel zwaar en in een oorverdovende orkaan van geluid.
Dus ik fietste naar het OLVG in West. Dat fietsen gaat overigens prima. Nergens een orkaan van geluid. Dit was een lachertje, die scan van Meijsing.
Naar binnen, aan een balie m’n naam noemen. Niemand die me kende, ik ben geen Geerten Meijsing.
Wachten op de gang, op een stoeltje.
En toen zat ik plots in zo’n heel klein kleedhokje, trok ik mijn kleren uit, op mijn onderbroek en shirtje na, en moest ik op een tafel gaan liggen en vertelde een vrouw me dat ik in die koker geschoven zou worden. Er stond een heel groot apparaat met een lade ervoor. Kolere, dacht ik. Dat ding vreet me op. Ik kreeg een koptelefoon – want het apparaat is eigenlijk een grote magneet die veel lawaai maakt, zei de vrouw. Ze vroeg me of ik metaal in mijn lichaam had. Nee hoor. Die koker stond daar maar te gapen. Wilt u muziek op de koptelefoon? Ja, oké. Toen ging ik liggen en kreeg ik een noodknop in mijn handen geduwd, een knijpbolletje aan een slang. Voor als er iets mocht gebeuren. We gaan beginnen, zei de vrouw. Het duurt zo’n twintig minuutjes. Ik werd in dat apparaat geschoven en een hels lawaai dreunde op mijn hoofd, dwars door de koptelefoon heen. Een geluid alsof er een bulldozer aan het einde van de tunnel je met open bek op staat te wachten, grommend en dreigend. Ik lag daar maar te wachten tot het geluid op zou houden maar het hield niet op, het dreunde maar door. De muziek was amper te horen, het bonken en timmeren en piepen ging door, en als het dan net even stil was hoorde ik vogeltjes maar niet fluitende vogeltjes die een soort opluchting inleidden, het waren sarrende piepende vogeltjes, een hoog en nog vervelender geluid. In mijn borst steeds een beklemmend gevoel alsof er een metalen band om zat die steeds strakker geklemd werd, ik kon amper ademhalen, en steeds het gevoel alsof die tafel verder zou gaan schuiven, dit monster in, naar die malende kaken, die bonkende mensenschredder in…
Toen verdween het geluid en zei de vrouw dat het afgelopen was. Ik zette de koptelefoon af, alles was stil. Alles was normaal. Ik dacht aan Geerten Meijsing. Hij had gelijk, dit was echt de hel. Nog nooit zo bang geweest. Puffend en zwetend stond ik op van de tafel. Met moeite trok ik mijn kleren weer aan, heel langzaam fietste ik naar huis.

Daar tikte ik dit tekstje, en ik had er echt lol in. Die scan duurde inderdaad zo’n twintig minuten en het stelt niks voor. Ik kreeg muziek, daar kon je voor kiezen en ik vroeg welke muziek want dat scheelt nogal wat, en ze zei dat ze Q-music hadden. Prima. Ik wilde ook graag muziek omdat je dan de liedjes kunt tellen, en bij zes of zeven zou het wel klaar zijn.
Iemand zong vrolijk: This is the best day of my life.
Ik was heel rustig, het was inderdaad een prima dag. Ik hield mijn been heel stil, en ik dacht aan de ct-scans die ik gehad heb, waarbij je aan een infuus van contrastvloeistof zit dat tintelt, en waar je eerst een liter van die zooi moet opdrinken tot je helemaal waus wordt in je hoofd, en ook daar sloeg ik me wel doorheen.
Ik dacht aan Geerten Meijsing en zijn lood- en loodzware scan en aan het geluid dat wel meevalt, vergeleken van de pneumatische boor waar ik ooit twee weken mee in mijn handen stond. Sorry, Meijsing. Die aanstellerij van je die uit je boeken spreekt en ook uit dat interview deed me tijdens de scan steeds glimlachen. De vrouw van de scan zei na afloop: Jij moest aan iets leuks denken, geloof ik.
Dat klopt.

«

Jan van Mersbergen