Een paar zinnen uit de tweede versie van m’n nieuwe roman, die wel een beeld geven van de vertelstem, van haar man Barry en hun zoon Willem:

Willem is dus bij Bar, die werkdag. Hij is dat inmiddels gewend. Hij is ook aan zijn krukken gewend. Hij vindt zijn plek wel met dat rare slappe lijfje van hem, soms in de auto, meestal vlakbij de plek waar Bar aan de gang is, op een stuk zeil of wat dan ook. Hij zeurt nooit, klaagt niet, kijkt goed, vergeet nooit spullen mee te nemen om te lezen of te doen. Ik ben alleen vergeten hem andere kleren mee te geven, nette kleren, dus het is even stressen en doorbuffelen voor Bar want als ze op tijd klaar zijn kunnen ze nog even gauw langs huis wat anders aanschieten, dus dan moet je geen dingen tegenkomen die de boel ophouden en precies die ochtend gebeurt dat natuurlijk wel. Net achter die vijver had hij een muurtje gemaakt en dat liep rond in een mooie vorm, allemaal goed en wel maar voor de steentjes die daar tegenaan moeten komen is die vorm veel passen en meten en ik weet niet wat er met die stenen was, maar ze breken gauw als ik Barry moet geloven en er sneuvelen er meer dan hij wil en die korte eindjes kan hij langs de kanten wel ergens wegmoffelen, als je er te veel in het midden doet dan ziet het er niet uit, dus het is vloeken en zweten met die kerel van me en hij krijgt het niet af en heeft ook geen tijd om zich thuis bij mij om te kleden. Hij moet flink doorkachelen over de provinciale weg die twee polders door om tegen elf uur bij de kerk te zijn, met Willem. In zijn werkkloffie dus naar die begrafenis.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen