Ook deze ramen zijn beslagen. De muziek knalt en al direct bij de ingang dansen een paar Heidi’s, een kleine Zebra, een Japanse strijder met hoofdband, een man die een wasmachine voor zijn buik heeft, met een deurtje. Sneeuw wordt van schoenen gestampt. Een laag bagger op de tegels. Twee Giraffen dansen op de banken hoog aan het raam, hun koppen tegen de slingers aan het plafond. Elfjes met vleugels dansen bij de bar, twee treden hoger dan deze modderput, dit moeras waar deze kraanvogel zich prima thuis voelt.
Ik moet die flacon bijvullen. Ik volg de Maxicanen, tussen de warme lijven door. Geschminkte gezichten, een paar eerste stoppels. Vier jongens met groene gezichten en bontjassen aan en stickers op hun jassen. ZESPRI GREEN 4030 NEW ZEALAND. Het zijn kiwi’s. Fruit in de drek.
Ik passeer een meisje met een beugel en die beugel hoort niet bij haar pekske. Ik kom van een schip. Niemand die van een schip komt heeft een beugel. Mijn tanden waren scheef, mijn tanden blijven scheef.
Op het schip kon het koud zijn, daar kan ik wel tegen. Schrijnend heet in de zomer, daar kon ik ook tegen. Ik was alleen, daar kon ik niet tegen. De wanden waren van metaal, de muren van schrootjes. De lucht in het ruim als een vriesvak en in de zomer een oven.
Toen ik bij mijn oom kwam zei hij dat de kamers boven allemaal een radiator hadden en dat ik maar aan de knop hoefde te draaien. Dat heb ik nooit uit mezelf gedaan, alleen toen ik meisjes meenam naar die kamer, naar dat smalle bedje. Die dunne blonde hield het eerste uur haar sokken aan. Mijn oom trof me een keer aan mijn bureau. Ik las een stripboek, had alleen een T-shirt aan. Hij had een thermometer op de boekenplank gelegd. Het was zes graden in de kamer.
Wat is de Latijnse naam voor Eend Hawaï? Grapje van mijn oom.
Anas ananas.
Eerst die flacon, dan wat bier. Ik geef de flacon aan het barmeisje met het donkere haar. Gebaar dat ik jenever wil. Tot hier. Mijn vlakke hand tegen mijn keel.
Voltanken en volhouden.

Uit: Naar de overkant van de nacht

»

Jan van Mersbergen