Vorige maand liep ik van de bushalte door de polder naar mijn Brabantse dorpje en kwam me een tractor tegemoet gereden. Ik wist wat er ging gebeuren. Ik stak mijn hand op, de jongen op de tractor stak ook zijn hand op en ik kon aan zijn mond aflezen wat hij riep: Hatjo.
Die begroeting was precies zoals ik die ken van ruim dertig jaar geleden. Ik genoot ervan, net zoals ik die middag bij bekenden in een knusse huiskamer van hun begroeting genoot. Die was niet veel anders. Hoi zeggen, maar nu stak ik mijn hand niet op. Hoi was voldoende.
Vreemd: de begroeting van de onbekende boerenzoon was op het eerste oog uitbundiger. Dat is niet zo. Die opgestoken hand naar de jongen op de tractor zei zonder woorden: ik heb je gezien, ik groet je.
In Amsterdam is het onderscheid groter: tegen vreemden zeg je niks, bekenden krijgen een knuffel. De opgestoken hand zie je alleen bij tram- of buschauffeurs die elkaar passeren.
De Amsterdamse groet van 2017 was de omhelzing. Een hug. Elkaar vastpakken, knuffelen, fysiek contact. Drie kussen zijn er al weer uit, dat is er eentje geworden.
Echter niet in het hele land gaan deze veranderingen op.

Als je in de tijd van mijn jeugd in Brabant ergens binnenkwam dat bleef je even in de ruimte staan, even acclimatiseren, of in ieder geval deed je alsof je moest acclimatiseren. Even de jas open, handen weer in de zakken van je broek, en dan zei je hoi of he. Net zoals laatst in die huiskamer.
Hatjo, dat zeiden de echte boeren.
Soms werd een begroeting frivool, dat kwam er een hand bij.
Een aangetrouwde oom van mijn vaders kant van de familie deed dat vaak. In het beeld dat ik voorogen heb deed hij tegelijkertijd zijn sjaal af, maar in ieder geval was die hand opvallend. Het was een soort vrolijkheid die argwanend werd bekeken.
Iedereen de hand schudden, dat was volstrekt overdreven. Een hand gaf je aan de notaris, als je iets officieels te regelen had, aan de begrafenisondernemer, de dokter. Soms het hoofd van de school. Of als er een koe verkocht moest worden. Een handdruk bezegelde een koop.
Dat lijkt compleet veranderd.
Dat is alleen veranderd omdat mijn perspectief nu in Amsterdam ligt.
Twee maanden terug voetbalden mijn vrienden en ik in Litouwen. Afstandelijkheid is daar uitgevonden. Niemand begroette een ander met een hand of een kus, alleen met een stuurse blik. Hooguit een knikje. Niks zeggen, geen poot uitsteken.
Alleen de Litouwers waar we tegen voetbalden gaven een hand, maar we hadden de indruk dat ze dat op televisie hadden gezien, voorafgaande aan wedstrijden in de Europaleague doen voetballers dat, dus dat kon hier ook wel.
Toch… als wij niet waren begonnen met dat vriendelijke handje schudden hadden de Litouwers gaan hand uitgestoken.
Ik voelde me wel thuis in die stugheid van mijn jeugd.

Die handdruk was in Amsterdam lange tijd bij iedere ontmoeting standaard. Kom je de voetbalkantine binnen dan schud je iedereen de hand, al staan er vijftig mensen.
Een hand geven was niet meer voldoende, er kwamen zoenen bij. Een stuk of drie. Onduidelijk welke wang eerst.
Inmiddels is de omhelzing erbij gekomen, en is het zoenen gereduceerd tot één.
Begroetingsetiquette, zo heet het. Wat doe je als je iemand ontmoet? Handje geven? En hoe geef je die hand? Zoenen? Hoeveel zoenen?
Stevig, een handdruk moet stevig zijn. Niks zo vervelend als een slap lijzig handje dat even jouw handpalm aanraakt en – dat is het ergste, het engste – traag je hand weer uitglijdt. Rillingen over mijn rug.
En die zoenen? Drie of één? Onduidelijk.
Een zoen geven en dan direct weer afstand nemen is een goeie optie. Vasthouden aan drie terwijl de ander met één al genoegen neemt komt eerder in de buurt van #metoo dan bij een begroeting.
En mannen die mannen zoenen bij een begroeting. Kan prima, maar als ik dan weer lees dat homomannen het niet op prijs stellen zo begroet te worden door een heteroman, dat daar dan ook weer onderscheid in moet zitten, dan ebt die trend gauw weer weg.
Ik heb in ieder geval het idee dat het mannenzoenen de laatste jaren weer afgenomen is. De stedelijke kern blijft: tegen onbekenden zeg je niks, bekenden knuffel je.

Het begroetingsritueel verandert, maar niet overal. Dat bleek laatst in de kop van Noord-Brabant in een kamer die naar koffie en speculaas rook. Geen mannenzoenen, geen omhelzingen, zelfs geen handjes.
Alleen hoi.
Iedereen zat in een kring en die kring bleef gesloten. Niet om indringers te weren maar omdat de stoel die je bemachtigd hebt jouw stoel is.
Dus daar stond ik weer met mijn jas nog aan, en had ik de neiging iedereen een hand te geven, of drie zoenen, maar ik ben weer terug in het dorpje waar ik opgroeide, waar mijn oom die zijn hand opstak een overdreven exoot was, en is er toch weer dat enkele hoi.

Dat fysieke contact vind ik toch wel een mooie manier van groeten. Het brengt je direct dicht bij elkaar. Maar het heeft iets Frans, Italiaans, Spaans. In ieder geval past het beter bij de landen rond de Middellandse Zee dan bij ons in de polder.
In Frankrijk, waar we ook iedere jaar voetballen, begroeten de mannen elkaar met een omhelzing en twee zoenen.
Totale verwarring, maar omdat we daar te gast zijn doen we mee met die gewoonte. Onder voorwaarde dat de Fransen, als ze bij ons op bezoek komen, ons de hand schudden en ons omhelzen en huggen, zoals dat tegenwoordig in Amsterdam gebruikelijk is.
Liefst zouden we een compleet eigen begroeting willen verzinnen voor onze Franse voetbalvrienden. Dan komen ze bij ons op bezoek om ene wedstrijdje te spelen en dan hebben wij een volledig nieuwe begroeting voor ze klaarliggen. Een aai over de bol, een zoen, een kneep in de rechterwang en een woordje erbij, en dan zeggen we: Zo doen we dat in Holland.
In heel Holland.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen