Het leek de eerste zon van het jaar, zondagochtend. Alsof er een einde was gekomen aan een ijstijd van jaren. Die vorst had ons binnen gehouden. Ik hou op zich wel van droog weer met een lage temperatuur, daarbij een wind die de kou door je kleren blaast kan ik missen, en die kleine jongen zeker ook. We hebben simpelweg voor hem geen skipak, gevoerde wantjes, ijsmutsen die een gevoelstemperatuur van min vijftien aan kunnen. En dat ijs en schaatsen kan me ook gestolen worden. Op mijn ouwe dag – zo voelt het – doet ijs me vreselijk gevaarlijk aan, glad en onbetrouwbaar. Als een klein geniepig mannetje dat je tegenkomt in een nachtkroeg. Dus toen we na een korte nacht boodschappen gingen doen en direct op de terugweg langs het speeltuintje bij het Olympisch Stadion fietsten en ik hem in het speelhuisje met de loopbruggen liet klimmen en zelf op een bankje ging zitten, in de zon, voelde het of ik weer kon ademen. Niet die vorst inademen, je longen koud, maar frisse lucht van een degelijke temperatuur. Die jongen had zijn muts nog wel op en ik ook, maar zijn wantjes bungelden nutteloos aan het touwtje waarmee ze door de mouwen van zijn jas aan elkaar zaten. Hij zat op een fietsje, hij vond een bal. Hij zei: Ba. We zaten er een uur, nog niet eens. Herboren worden, na de vorst.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen