Ik hoorde ze praten op tv over het Boekenweekgeschenk en dat lijkt me nou zo geweldig om te hebben geschreven. Ik zeg met opzet: ‘lijkt’, ik zeg met opzet: ‘hebben geschreven’, want dat gesprek ging nergens over schrijven en toch kruipt de schrijver in de romantische cocon van het schrijverschap; dat is wat de Boekenweek uitdraagt. De mooie dikke interviewbundel van de Paris Review werd er bij gehaald, daar werd de vraag uitgelicht: ‘Hoe begin je aan een boek?’ Een vraag die schrijvers doet vloeken, die van schrijvers marionetten maakt en van schrijven een raadsel. Er kwam een vreselijk antwoord van Philip Roth, dat hij niet wist hoe je aan een boek moet beginnen want het was een marteling, dat schrijven, terwijl dat interview op zich best interessant is, maar gelukkig werd er op tv snel overgeschakeld naar de fitheid van de schrijver die deze week het Boekenweekgeschenk heeft gemaakt, want je moet het land in, een barre week vol drukte en lezingen. ‘Je wordt op een schild gehesen en van dorp naar stad gereden,’ is een tekst die ieder jaar op het papiertje van de presentator staat, en iedere verwijzing naar werkelijk schrijven wordt omzeild want programma, lezers en natuurlijk vooral ook het niet-leespubliek wil doen geloven dat schrijven een opgave is, ontzettend zwaar, en de Boekenweek is nog het zwaarst. Het is lijden, kunstenaar zijn en tegelijk koning zijn. Voetballers waken daar zelfs voor, daar wordt ook mee gesold, maar ze weigeren mascotte te zijn. Geen woord over schrijven, over werkelijk iets maken. Schrijven is handwerk, over schrijven kun je nadenken, het is plezier. Schrijven is werk en plezier ineen, als je er goed over nadenkt. Dat gaat soms samen. Maar als je er niet over wilt nadenken en je wilt blijven geloven in een mythische simpele vertaling van het schrijverswerk en het schrijverschap, op vlakke toon en met clichés als basis – wat is het moeilijk, wat is het zwaar, wat heb ik zin in een borrel – dan maakt schrijven iedereen treurig. Dan is iedere componist doof omdat Beethoven dat was. Dan is een leeg vel papier eng. Dan is iedere vertelling hol en op afstand, terwijl juist de kracht van schrijven is: mensen bereiken. Er werd op tv nog wel gesproken over boeken van anderen, de schrijver van het boekenweekgeschenk blijkt vreselijk op te kijken tegen Jonathan Franzen, een schrijver waar je beter op neer kunt kijken, en er werd een roman van Virginia Woolf genoemd maar dan alleen de titel en niemand kende die titel (To the lighthouse) maar ook durfde niemand te vragen van wie dat boek is, want dat staat zo stom. De eerste opdracht: durf te vragen. Zeker naar Woolf. Tweede opdracht: van dat schild klauteren. Niet Franzen op een schild zetten en ook zelf daar niet blijven zitten. Duidt wat Franzen doet, met zijn zinnetjes – kletsen. Laat zien was jouw eigen woorden kunnen doen. En ten derde vervolgens vertellen wat een schrijver kan doen en bij dat gevoel blijven. Niet deze Boekenweek aangaan als een sporter die naar de Olympische Spelen gaat, met je fitheid. Een echte ambassadeur neemt lezers mee, door middel van woorden, want dat is je instrument. Een enkele goeie overdrachtelijke zin en schrijver en lezer zitten naast elkaar, als verteller en luisteraar, als een kind dat met open mond een verhaaltje hoort voor het slapengaan en na afloop knikt van dankbaarheid – slaap lekker.

Jan van Mersbergen