Ik belde een collega. Een schrijver.
Ik zei: Ik heb een vraag.
Ze negeerde me en zei: Jij belt me vast omdat het vrouwendag is, wat attent.
Je kent me toch, zei ik. Staat altijd vet op de kalender.
Dat dacht ik al, zei ze. En toen: Vertel.
Ik zei dat er ophef was.
Ze zei: Ophef is er altijd.
Dus ik vertelde waar die ophef over ging. Bij een prijs waar slechts zes boeken genomineerd worden was gekozen voor zes boeken, mooie boeken, de usual suspects, een paar verrassingen, maar onder die zes slechts één vrouw.
Je hebt het eerst over boeken, zei ze, maar dan heb je het over schrijvers, en of ze man of vrouw zijn.
Dat klopt, zei ik. Dat is precies de ophef.
Niks mee doen, zei ze.
Ik wist dat je dat ging zeggen.
Niks mee doen, zei ze weer, nu iets harder. De verwarring begint hier, bij het toekennen van geslacht aan boeken en als je vanuit die basis denkt dan komt het nooit meer goed.
Oké.
Maar wat was je vraag? zei ze.
Ik weet het niet meer precies. Ik wilde je eigenlijk vragen hoe dat bij jou zit? Bij jouw schrijven. Ik ken jouw schrijven, ik weet welke zinnen jij maakt en jij weet dat van mij. Mijn vraag is denk ik: Zit daar iets oneerlijks in?
Wat denk je zelf?
Ik zei: Dat weet je wel.
Ze zei: Natuurlijk, maar er leeft dus een idee dat schrijven verschilt. Schrijven door een man en door een vrouw. Dat schrijven verschilt, dat lezen verschilt. Allemaal onbewust en niet te duiden natuurlijk. Dat verschil wordt ondersteund door een zo vaag mogelijk gevoel en door cijfers, maar dat verschil is er niet bij het schrijven, niet bij het redigeren, niet bij het uitgeven, niet bij het ontvangen van boeken, niet bij het recenseren, niet bij het lezen, dat verschil is er alleen in de allerlaatste fase als er een prijsje bekendgemaakt wordt, in de allerlaatste fase ook nog van die prijs. Dan speelt plots het geslacht.
Ik was even stil. Toen zei ik: Wat gebeurt er als ik zoiets zeg?
Dan ben jij een man.
En als jij dat zegt?
Dan ben ik een idioot. Een blinde. Een ontkenner.
We dachten even na. Tenminste, ik dacht na en ik voelde dat zij ook na moest denken.
Toen zei ze: Er is geen andere league.
Een league? vroeg ik.
Ja, zei ze. Een competitie voor de een of voor de ander. Dat zou de oplossing zijn, maar dan vanaf het allereerste begin. Niet pas bij het prijzencircus een verdeling maken tussen mannen en vrouwen zoals de Belgen een verdeling maken tussen genomineerden uit Nederland of Vlaanderen en juichen als er een of twee Belgen tussen zitten, maar vanaf de eerste letter onderscheid maken.
Ik zei dat er wel een prijs is voor boeken die door vrouwen zijn geschreven, alleen die.
Ja, zei ze. Dat is een eigen subgroep. Veilig. Dat maakt van schrijven hardlopen. Daphne Schippers, weet je wel.
Dat weet ik wel.
Maar, ging ze verder, schrijven is niet veilig.
Zou je dat willen?
Veel schrijvers zouden dat willen. Ik niet. Schrijven is niet veilig, niet eerlijk, het is geen middel.
Is veiligheid de oplossing voor eerlijkheid? was mijn volgende vraag.
De oplossing voor ieder verongelijkt gevoel, zei ze, kan weggenomen worden door bij het schrijven en bij de eerste redactierondes en bij de aanbieding in de folders van uitgeverijen aparte indeling te maken: hier de boeken geschreven door mannen, hier die geschreven door vrouwen.
Zou je denken? vroeg ik hardop, en ik dacht na over die verdeling.
Ze zei: Duidelijk voor schrijvers, boekhandelaren, lezers, recensenten. Stempel aanbrengen, de handel uit elkaar halen en nooit meer bij elkaar laten komen. Een boekenkast in de winkel met literatuur door mannen en daarnaast een mooie kast met literatuur door vrouwen.
Wie zou dat willen? vroeg ik.
Ze zei: Dat is nou precies de vraag. Niemand wil dit want schrijven is iets anders dan hardlopen. Maar hoe ga je ongelijkheid tegen aan de finish? Door bij de start ongelijkheid uit te sluiten.
Helder idee, zei ik.
Vind ik ook.
Ik weet niet of het een antwoord geeft op mijn vraag.
Dat weet ik ook niet.
Ga je hierover schrijven?
Eerst nadenken, zei ik.
Ze wist het al want ze zei: Jij gaat hierover schrijven.
Ik knikte. Dat is raar en nutteloos aan de telefoon, maar toch begreep ze dat ik knikte.
Ze vroeg: Wil je één ding doen?
Natuurlijk.
Wil je mijn naam niet noemen? Ze spijkeren me aan het kruis.
Dat weet ik.
Wil je mijn naam niet noemen? herhaalde ze.

Jan van Mersbergen