Ze zwaaide naar me. Van beneden. Ik zat helemaal boven op de tribune en zij stond in haar blauwe pakje op de vloer, deed de warming up, daarna de vier onderdelen van de wedstrijd, heel geconcentreerd als ze op de balk moest staan of de vloer of aan die rekstok hangen, maar als ze dan klaar was en haar beide armen zo omhoog had gedaan met gekrulde handen en vingers, die begroeting voor het jurylid achter de tafel, en als ze dan terug naar haar groepje liep, dan zwaaide ze even naar me.
Eigenlijk alleen om te kijken of ik het allemaal gezien had – ja ik had het allemaal gezien.
Of alleen om te zien of ik er nog was – ja ik was hier de hele middag.
Of om te zien of haar kleine broertje en mijn vriendin er al waren want ze wist dat die na zijn slaapje ook nog zouden komen – ja daar waren ze en die kleine jongen moest echt goed zoeken om haar te vinden tussen al die meisjes in hun mooie turnpakjes, hij keek met open mond, zo indrukwekkend was het allemaal, die hal, die mensen, en toen zag hij haar en zwaaide hij terug. Lange tijd steeds dat zwaaien, nu die twee, naar elkaar.
Ik zat bij de moeder van haar vriendin, waar ze mee traint, iedere donderdag, en zij vertelde me een aangrijpend verhaal en toen dat meisje tijdens de prijsuitreiking naar voren geroepen werd was de moeder heel trots en de oma ook, ze riepen en juichten en gilden.
En toen mijn dochter daarna ook het podium op mocht en een medaille kreeg en weer zwaaide, zag ik dat haar vriendin ook trots was, net als ik.
Je gaat helemaal stuk op zo’n middag, als je dochter zo veel plezier heeft in een sport en naast concentratie en elegantie en kracht ook gewoon kijkt of ik er nog ben en of haar broertje er al is. Daarom zwaaide ze steeds.
Dat zwaaien, dat zwaaien.

Jan van Mersbergen