Ik zat aan een tafeltje in een rode zaal en om de zoveel minuten – steeds veel te kort – schoof er iemand aan en vroeg ik: Wat brengt je aan dit tafeltje? En dan kwam er een verhaal over schrijven, en vooral over publiceren. Van de twintig mensen die even kwamen zitten wilde zeker twee derde weten: Hoe kom je bij die uitgeverijen binnen? Ik zei daar niet zo veel op. Iemand vroeg me of een begeleidende mail met heftige dingen erin zou helpen om de aandacht te trekken. Ik antwoordde dat ik de mail en synopsis of cv of wat er ook bijgesloten zit, soms tekeningen en foto’s, nooit lees. Ik lees niet eens de naam van degene die iets ingestuurd heeft bij het literaire tijdschrift waar ik in de redactie zit. Ik lees wel het proza en de poëzie en de essays. Dan zie ik het wel. Ik lees kritisch. Maar de tekst moet het doen, en schrijf je een tekst die echt goed is dan kan geen uitgeverij om je heen. Dus hoe schrijf je een tekst die echt goed is? Dat wilde een paar mensen weten, dat was geruststellend. Dat er nog schrijvers zijn die niet alleen schrijver willen zijn maar die ook daadwerkelijk willen schrijven. Een paar schrijvers mailde me verhalen, ik gaf commentaar. Er zat een heel goed verhaal bij. Daar ga ik verder mee aan de slag. Maar opvallend: de wil om bij uitgeverijen binnen te komen is groter dan de wil om te schrijven. Om je te verdiepen in technieken, om te lezen hoe anderen schrijven, om de mogelijkheden van proza zo uit te pluizen dat je iets persoonlijks en eigens kunt maken dat tegelijk ook universeel is.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen