Een boek in een spagaat, dat gevoel bekroop me bij het lezen van De krijtman.
Het verhaal draait om een moord, heel veel thrillers draaien om een moord. Meestal is een moord niet interessant, of je moet vallen voor het graafwerk van CSI. Een moord op zich betekent niet veel en vaak ook niet het dader-slachtoffer verhaal. Je kunt wel heel mooi over een moord schrijven als je niet focust op die moord maar op andere betrokkenen, net een stapje verder weg. Dat doet AJ Finn in De vrouw in het raam, een thriller waarin de moord zo klein is geworden dat die te verwaarlozen is, en daarentegen de verteller geweldig levensecht en groot.
Focussen op de bijzaken, dat doet ook CJ Tudor in De krijtman. De nadruk ligt op een jongen, Eddie, die samen met zijn vrienden in 1986 een dood meisje aantrof. Die moord is steeds ver weg, maar het verhaal draait wel daarom, op afstand. Het gaat om betrokkenheid, en afstand tot die moord. Dat is de spagaat, een interessante spagaat. Tudor laat Eddie zijn verhaal doen en die jongen, en later ook man, wil afstand tot die moord, tot die gruwelijkheden. Dat is spannender dan die moord, zeker in proza. Dat is erg goed en slim gedaan.
Die vertelling van Eddie geeft afstand – een sterk punt – maar is ook bewust, en dat is jammer. Een andere spagaat.
Eddie weet bijvoorbeeld wat een cliffhanger is. Als een van de oude vrienden op bezoek komt en zegt dat hij weet wie het meisje werkelijk vermoord heeft, reageert Eddie: ‘Een geweldige cliffhanger,’ en dat klopt ook. Deze uitspraak maakt de verteller bewust van zijn eigen verhaal, van de afstand die hij wil tot dat verhaal. En dat is voor deze thriller grote winst. Ook het kinderlijke van de verteller in de hoofdstukken die in 1986 spelen, die worden afgewisseld met delen in 2016, is mooi. Hij kijkt terug op de gebeurtenissen maar kan die wel duiden. Hij is geen kinderlijke verteller, hij laat zien hoe het voor hem als kind was, toen.
‘Ook over andere dingen zat ik in. Men denkt dat kinderen een zorgeloos leven hebben. Maar dat is niet zo. Kinderen zijn kleiner, en daarom zijn onze zorgen groter.’
Dat laatste laat zien dat Eddie in zijn vertelling weer even twaalf is, en dat werkt heel goed. Dat dode meisje en de betrokkenheid van deze jongen wordt geschetst zoals het op dat moment was, dertig jaar geleden. Mooi.
Toch ben ik ook kritisch, en dat heeft ook met de verteller te maken. Als Eddie: ‘Toen ik hem verbaasd aankeek, hield hij zijn hoofd scheef,’ zit hij als verteller in een spagaat. Hij wil laten zien wat er gebeurd is, een tijd geleden, maar hij weet net iets te goed wat de uitdrukking op zijn eigen gezicht was. Verbaasd. Het kan natuurlijk zijn dat de schrijver van De krijtman weet dat Eddie destijds verbaasd keek, het is vreemd dat Eddie dat zelf nog weet en eigenlijk is het ook vreemd als hij nu invult hoe hij toen gekeken moet hebben.
Deze Eddie laat in ieder geval vaak terugkomen wat zijn non-verbale communicatie was, dertig jaar geleden. Het kan allemaal wel, maar het is op een andere manier bewust; niet bewust van het spannende verhaal, maar bewust van zichzelf. De focus van de verteller is niet alleen de man die zijn hoofd scheef hield, maar ook zijn eigen gezicht. Deze beschrijving van zichzelf maakt deze verteller in zichzelf gekeerd. Zijn eigen gevoel koppelt hij aan zijn beschrijvingen van anderen, en ook dat kan natuurlijk wel, alleen heeft niet iedere lezer daar zin in. In dit soort zinnetjes is Eddie The Man Who Knew Too Much.
Nu is deze Eddie uit De krijtman ook een sympathieke jongen die iets gruwelijks heeft meegemaakt. Zijn insteek is dus wel te begrijpen: na die gruwelijkheden raakte hij in zichzelf gekeerd, ongetrouwd, een loner. Op afstand. Klopt allemaal, maar toch hoeft hij dan als verteller nog geen in zichzelf gekeerde loner te zijn. Daar zit een verschil in.
Een andere moeilijkheid met de verteller van De krijtman is dat Eddie dertig jaar na dato dialogen heel precies herhaalt. De woorden die destijds door de betrokkenen gezegd zijn worden verteld in derde persoonsproza.
Als een van de oude vrienden weer voor Eddie staat en ze het over een boek hebben dat over de gebeurtenissen geschreven kan gaan worden (dit boek?), gaat de tekst als volgt:

Ik nam een teug van mijn drankje. ‘Mickey wil een boek schrijven, misschien een televisiescript, over wat er is gebeurd. Hij wil dat ik met hem samenwerk.’
‘Het wordt al spannender.’
‘Dat kun je wel zeggen.’
‘En?’
‘En wat?’
‘Nou, je zei ja, neem ik aan.’
‘Ik heb nog niets gezegd…’

Zo gaat het nog even door. Ook dit kan prima in proza, alles kan in proza, maar het doet ook iets met de vertelling en de verteller en daardoor met het verhaal. Probeer deze dialoog maar eens aan iemand te vertellen, tijdens het eten of zo. Het is geen vertelling, het is een registratie van wat Eddie en die ander toen tegen elkaar zeiden, en ook al speelt dit in 2016, het is nog steeds geen vertelling, al is het gisteren gebeurd.
Verteller Eddie is weg en ik vraag me bij die passages wel steeds af waarom hij zich op die momenten verstopt. Komt vaker voor in De krijtman. Waarom hecht die jongen belang aan uitspraken als: ‘U ook, meneer’ en ‘Nee meneer. Wat betekent het?’ als er een gesprek tussen hem en de tekenende leraar plaatsvindt. Die zinnetjes zijn er vast geweest, dertig jaar later hebben ze maar één functie: uitleg uitlokken bij het andere personage die ook in dialoog het verhaal verder helpt, stukje bij beetje.
Waarom vertelt Eddie niet zijn verhaal met zijn eigen, prettige vertelstem, maar stopt hij indirect informatie in dit soort loze zinnetjes? ‘Dag meneer,’ sluit hij af. Dat is een triviale groet die de scène afsluit en ook het hoofdstukje, maar die de vertelling stroperig maakt.
Ik vraag me in ieder geval steeds af wat is er met deze Eddie aan de hand is, waarom hij zo vormelijk en afstandelijk en precies die dagelijkse dialogen in zijn vertelling nadruk geeft, tevens zonder erbij te noemen wie wat zegt. Dat laatste is wel duidelijk, veel lezers zullen er gewoon overheen lezen. Wat wel gebeurt: Eddie vertelt het verhaal niet meer, een camera vertelt, maar dat maakt van mijn Eddie een andere Eddie, en dat stoort. Ik wil Eddie zoals hij als verteller is, de bewuste loner. Geen Eddie als camera uit 1986. Geen vermomde CJ Tudor die haar Eddie het verhaal in de mond legt, met veel informatie. Ik wil de levensechte Eddie die mij zijn verhaal vertelt.
Genoeg over de vertelling, daar ben ik nu eenmaal erg streng en soms wat doorgeslagen in. Niet de doorsnee lezer, die ziet dit hopelijk niet en behoudt de leeservaring.
Terug naar de thriller, want De krijtman is een interessant boek. De opzet lijkt op Mystic River van Dennis Lehane, in die sterke thriller verdwijnt een jongen in een auto bij onbekenden, zijn twee vrienden zien het gebeuren. Dat trauma speelt het hele boek door. In De krijtman vinden vier jongens in 1986 een meisje, ze is dood. Een van hen is is Eddie. Dertig jaar later komen de jongens weer bij elkaar, en lijkt de geschiedenis zich te herhalen. Een mysterieuze man die krijttekeningen maakt is de verbindende factor. Die tekeningen zijn een beetje bedacht maar ook een mooi beeldend kinderlijk gegeven. Dat zie je vaker in thrillers: denk aan de titels van MJ Arlidge die allemaal bekende kinderliedjes of spreuken dragen zoals Iene miene mutte, Naar bed naar bed, Klein klein kleutertje, Pluk een roos, Piep zei de muis… maar ook aan zorgthema’s – daar ben ik persoonlijk dol op.
De meeste spanning schuilt in zorg voor andere, zeker in zorg voor kinderen. Tudor laat Eddie zorgen hebben en vertellen, zoals hierboven in het stukje over zorgen van kinderen. Dat is een ander groot winstpunt, in De krijtman is dit de basis van de spanning. Lezers die zeggen: ‘Hier gebeurt niks,’ zullen genoeg hebben aan de paar heftige scènes die Tudor opwerpt, bijvoorbeeld als de jongens lastiggevallen worden door andere jongens, die hadden mij betreft wat minder gekund. Verre betrokkenheid bij een moord geeft voldoende spanning voor een thriller. Dat vertrouwen is de basis van mijn thrillers, en Tudor bevestigd dat met dit boek.
Nog een trend, ter afsluiting: twee initialen als voornaam. Denk naast CJ Tudor van De krijtman aan AJ Finn die het geweldige De vrouw in het raam schreef, JP Delaney, SK Tremayne, RJ Ellory, JD Robb, CJ Samson, bovengenoemde MJ Arlidge, EL James, en natuurlijk JK Rowling, die hiermee begon.
Deze thriller wekt dus bij mij wat gemopper op over de vertelling, toch vind ik mezelf plots terug op bladzijde 250 en wil ik uitpluizen hoe het zit met die moord, die personages, die tijden. Die drive heeft het boek dus wel, zoals wel meer goeie thrillers die ergens wat onhandig verteld zijn maar zo goed in elkaar gezet dat je verder wilt lezen. Nu is de ontknoping mij te heftig en komt de eerdergenoemde cliffhanger – ‘Ik weet hoe het zit’ – een paar keer terug zonder dat verteller Eddie erbij zegt hoe het zit, hij wordt dus plots weer een verteller die informatie achterhoudt en op een vreemde suspense-achtige manier Show don’t tell toepast, en dus weer verstoppertje speelt, ik lees wel verder.
‘Er zijn vragen. Talloze vragen,’ zegt Eddie in 2016 als alles bijna duidelijk is. Dat klopt, die vragen heb ik ook maar dat is niet erg. Ik heb iemand in een donker bos met een bijl zien zwaaien en sla die actiescène over, in dat heftige gedoe ontbreekt de spannende zorg die ik zo mooi vindt.
In recensies en lezersreacties op De krijtman vond ik erg vaak de melding terug: ‘Dit is geen thriller.’ Het vooringenomen idee van hoe een thriller moet zijn speelt de leeservaring parten. Lezers willen gruwelijke scènes, moord, bloed, geschreeuw, angst. De kruitman speelt met subtiele spanning maar zit in een spagaat omdat ook horror gezocht wordt. Die keuze had wat mij betreft meer naar die eerste kant uit mogen vallen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen