Op bladzijde 66 van de nieuwe Nicci French wordt een scène afgesloten met de zin: ‘Hij had het gevoel dat er iets niet klopte, maar wat?’
Heerlijk ambachtelijk spanningszinnetje dat precies mijn gevoel tijdens het lezen van deze thriller verwoordt. Deze zin laat de lezer zoeken, geeft drive om verder te lezen en ook weet je: dit is een speurverhaal, en we gaan er heus wel achter komen hoe het in elkaar zit. Aan de andere kant is de opzet van dit boek zo bedacht dat ik zelf ook steeds denk: er klopt iets niet.
Nooit eerder las ik een boek van Nicci French. Deze kennismaking is deels plezierig: delen van het boek zijn goed geschreven, maar ook komen er gaandeweg steeds meer passages langs die lukraak achter elkaar geplakt lijken en waar motieven ontbreken.
De dag van de doden is het achtste deel in de reeks over Frieda Klein, een verknipte en enigszins duistere psychotherapeute. Het echtpaat Nicci Gerrard en Sean French weet vanaf 2011 ieder jaar een thriller in deze reeks uit te brengen, in de titels steeds een dag van de week te beginnen bij Blauwe maandag. Nu de dagen van de week op zijn is het (laatste?) vervolgdeel dus De dag van de doden.
Het Britse echtpaar schrijft samen. Beter gezegd: ze publiceren samen. In een interview geven de twee aan dat ze zeker niet samen schrijven: de een zit in een schrijfkamer, de ander in een tuinhuis. Ze schrijven afzonderlijk van elkaar een hoofdstuk en laten dat elkaar lezen. Ze zijn elkaars redacteur.
Buiten dat eerdergenoemde gevoel vraag ik me tijdens het lezen twee dingen af: wie heeft de stukken over de studente Lola geschreven en hebben Gerrard en French hier veel ruzie over gehad?

Lola is een studente crimonologie die een scriptie moet schrijven. Ze kan geen onderwerp bedenken, haar begeleiders sturen aan op Frieda Klein. De opdracht: ze moet Frieda Klein ontleden. Echter, deze Klein is even mysterieus als onvindbaar.
Toch gaat Lola zoeken. Eerst bij het huis van Klein (niet thuis), dan bij haar werk (niet aanwezig). Ze zet door, met als basis een bijzondere methode: psychogeografie. Gewoon wat over straat slenteren en ‘je laten leiden door je gevoel’. Het brengt Lola bij mensen die in boten wonen, bij twee vissers, mensen die de hond uitlieten, wandelaars, fietsers, hardlopers. ‘Lola knikte vriendelijk naar iedereen die ze onderweg tegenkwam.’
De vissers nemen in deze vage zoektocht verreweg de meeste ruimte in. Na een gesprek met Lola over het vissen zegt ze: ‘Mag ik een foto van jullie maken?’ Ze zwaait met haar telefoon. Ze maakt een selfie met de vissers en op dat moment vraagt de wantrouwende lezer zich al af: Waarom moet ze met deze mannen op de foto, waarom niet met de andere interessante mensen die ze via de psychogeografische methode ontmoet?
Dat blijkt al snel. Op bijna dezelfde manier ontmoet Lola de onvindbare Frieda Klein; die zit – een beetje vermomd – gewoon een boek te lezen op de begraafplaats waar haar geliefde ligt. De vrouw maakt zich eerst niet bekend en wimpelt de studente af op een pagina vol uitroeptekens: ‘Ga!’ ‘Je lijkt niet te horen wat ik zeg.’ ‘Ik wist het!’ ‘Ach jee.’ Tot Frieda Klein een plotselinge omslag maakt en op de vraag van Lola of ze dan eerst nog even een kopje koffie gaan drinken, zegt: ‘Jij bent wel een doorzettertje, hè?’
En daar gaan de dames: aan de koffie. Wat volgt is een gesprek over de spannende speurtocht naar Klein (‘Ik vind het best leuk’) en de gevaren die dat met zich meebrengt. Lola wordt verzocht ermee op te houden maar ze blijft maar vertellen over haar ontmoetingen met al die mensen (‘Fantastisch toch?’) tot ze zegt: ‘Kijk, ik heb er een foto van.’
Daar komt de foto. En een van de vissers wordt meteen door Klein herkent: ‘Maar dat is Dean Reeve!’
Deze Reeve is de monsterlijke moordenaar die Klein al boekdelen lang dwarszit. Ook totaal onvindbaar, maar een naïve studente loopt hem zo tegen het lijf en maakt een kiekje die bij de eerste het beste ontmoeting met Klein wordt getoond.
Frieda Klein beseft dat het meisje, nu ze Reeve heeft ontmoet, in gevaar is en als Lola het idee oppert dat ze zich bij Klein kan verschuilen, want die verschuilt zich immers al (op een begraafplaats bij haar geliefde, in een café, op straat…) en er ook nog aan toevoegt: ‘Kom op, het wordt leuk!’ ben ik wel erg benieuwd naar dit schrijversechtpaar en hoe de verhoudingen liggen.
In een korte recensie in Trouw schrijft Monique de Heer: ‘Nieuw in De dag van de doden is de onbevangen, vrolijke studente criminologie Lola Hayes die een onderwerp voor haar scriptie zoekt en na wat googelen bij Frieda aanbelandt – wat wel vreemd is, want Frieda’s verblijfplaats is zelfs voor haar ouders onbekend.’
‘Het is wel vreemd.’ Dat is eigenlijk zeggen: motieven en geloofwaardigheid zijn niet zo belangrijk. Verder stelt De Heer dat ‘de lezer erdoorheen vliegt’. Dan is alles goed.
Ik vraag me steeds af op welke manier Gerrard en French over deze passages hebben gesproken. Heeft een van de twee niet gezegd: ‘Maar het toeval speelt hier wel een erg grote rol.’
En dat de ander dan zegt: ‘Maar dat is nu eenmaal zo bij psychogeografie, het leidt je naar waar je moet wezen.’
En dan is het oké.

In het begin van de thriller staat een mooi zinnetje: ‘Waarom moesten mensen toch zo ingewikkeld schrijven?’ Dat is misschien in hun onderlige redactiegesprekken ook vaak aan bod gekomen.
De beginconstructie van deze thriller is verfijnd en ingewikkeld tegelijk: in twee scènes worden dode lichamen gevonden, in een verongelukte auto en een pop, die al dood waren. Ze zijn daar in de etalage gezet, zo lijkt het. Dat vraagt speurwerk en die scènes met politiemensen Dugdale en Quarry als sterke personages zijn erg goed. De stijl is helder en de zinnetjes zijn levendig en eenvoudig, soms heel beeldend. Het mooiste voorbeeld komt uit een stukje over een bijfiguur Neil Morrell, over bomen:
‘Soms praatte hij tegen ze of bleef even staan bij de oude eik die lang geleden door de bliksem was gekliefd en dat had overleefd, of bij de wilgen beneden bij het meer om geruststellende klopjes op hun stam te geven terwijl hij met halfdichtgeknepen ogen omhoogkeek op zoek naar dode takken of bladeren die tekenen van meeldauw vertoonden.’
Dat leest goed. ‘Kom op, het wordt leuk!’
Deze mooie zin staat in hetzelfde boek als een zin die Lola typeert: ‘Maar voor ze de dag begon móést ze ontbijten, het was haar favoriete maaltijd van de dag.’
Let op de tekens op ‘moest’. Het is alsof je een glossy leest. In die passages over glossy-personage Lola verlang ik sterk naar bomen die ruimte geven en ook richting en die een heel andere spanning brengen. Die niet direct iets zeggen over een personage, zoals ‘Lola droeg een boeterbloemgele rok en een rode jas en haar groene ogen stonden vol vertrouwen’, maar vanuit wat deze Neil ziet of doet de lezer de kans geven beelden aan elkaar knopen.

Wat is een vruchtbare manier om samen een boek te schrijven? Nicci Gerrard en Sean French hebben hun manier gevonden want de reeks over Frieda Klein is bijzonder succesvol. Hun schrijven is voor mij alleen zo tweeslachtig: soms ijzersterk, soms bijzonder slap. Wie legt dat naast elkaar? Hoe verloopt die redactie? Je kunt niet samen zinnen maken, dat begijp ik wel. Ook begrijp ik heel goed dat je een tweede blik nodig hebt, maar is de tweede blik niet eigenlijk jouw eerste blik als die van je partner komt?
Tijdens het lezen in De dag van de doden richt ik me op de politiemensen, verwikkeld in een mysterie dat langzaam helder wordt. Die Frieda Klein en Lola kletsen rustig verder in koffiehuisjes, ‘energiek knikkend’ en ‘opgewekt vertellend en ‘verwachtingsvol voorover leunend’. Nicci French weet in ieder geval dat Lola zo praat, ze noemen haar praten in de tekst: ‘babbelen’. Zo slim zijn deze schrijvers wel. Ik krijg de indruk dat ze dit babbelzieke personage Lola opvoeren om aan de verwachtingen van het publiek te voldoen, en dat voelt heel vervelend. Zo goed kunnen schrijven, en dan dit tutje motiefloos (die scriptie als motief moet een grap zijn) laten ronddartelen als sparringspartner van Frieda Klein, ik begrijp er niks van.
Dus het lezen wordt moeilijk. Ik kom nog één mooi zinnetje tegen over de visser, de moordenaar: ‘Niet ver daarvandaan zat een man in de schemering aan de rivier. Hij floot tussen zijn tanden en wachtte geduldig tot hij beet had.’
Dit soort zinnetjes geven me steeds het teken: dit boek is echt in orde, lees maar door. Maar dan verschijnt Lola weer en gaat ze samen met Frieda Klein speuren langs de verloren rivieren van Londen, baggerslootjes en kanalen, en dan bedenken dat de dagen waarop de mensen die vermoord zijn naamdagen zijn die gekoppeld worden aan de verloren rivieren waar de lijken gedumpt worden, en dit allemaal als teken voor Frieda Klein…
Dan haak ik af. Dat is te bedacht, te rationeel, te ver weg. Dat is een puzzel om het puzzelen. Dan verlang ik naar een verhaal waarin de personages niet hun mond een duw geven en tegelijk belangrijke ontdekkingen doen, en wat nog belangrijker is: dan wil ik heel graag iets lezen waarin dode mensen niet als instrument dienen voor een cryptogram, maar waar stilgestaan wordt bij de overledenen.
Dat gebeurt hier nergens. Drie mensen zijn er vermoord maar de focus ligt op een groot gevaar in de gedaante van een psychopaat en op twee vrouwen die zich in vrouwenbladendialogen naar een oplossing rommelen terwijl er ook nog twee politiemensen aan het werk zijn. Het negeren van die willekeurige slachtoffers en hun familie voelt zo vervelend dat ik die oplossing helemaal niet meer wil lezen. Ik sta al voor de boekenkast en bekijk de ruggen van boeken die me wel iets doen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen