Afgelopen vrijdag verscheen er een artikel in NRC over de waardering voor romans die door mannen zijn geschreven en romans die door vrouwen zijn geschreven. Het artikel gaf heel goed aan dat schrijvende mannen een voorsprong hebben maar dat die voorsprong vooral bij de lezers gemaakt wordt. Die slag miste ik in het man-vrouw debat over schrijven.
Korte conclusie: het verschil tussen mannen en vrouwen is niet bepalend, het verschil tussen lezers en schrijvers is dat wel.
Aan de basis is dat verschil er volgens mij niet maar als ik daar iets over zei was ik de man die het verschil niet begreep. De basis is trouwens het schrijven, het uitgeven, het redigeren en het op andere manieren werken aan literaire boeken. Vrouwen schrijven, vrijwel al mijn uitgevers zijn vrouwen, vrouwen zijn redacteur en ik schat dat de personeelsbestanden bij uitgeverijen voor driekwart uit vrouwen bestaan. Kijk rond in de schrijf-wereld en je ziet geen verschil. Uitgeverijen plakken labels op mannen- en vrouwenschrijvers, dat klopt. Maar dat doen ze omdat ze aan de lezer denken. Aan de doelgroep.
Bij lesgeven is de verhouding minstens hetzelfde, van de zestien deelnemers aan mijn Schrijfcafé dit voorjaar zijn slechts vier mannen, en dat is vergeleken met bijvoorbeeld de Schrijversvakschool een goeie score. Het onderzoek is een lezersonderzoek, en dat is heel fijn. De perceptie van wat mannen schrijven en wat vrouwen schrijven is anders, maar wie moet daar iets aan doen?
Philip Huff stelde vorige maand al dat hij als man tijdens een Murakami-avond alle interessante literaire vragen mocht beantwoorden terwijl de twee vrouwelijke deelnemers aan het forum mochten spreken over het leven, vrouwendingen en het combineren van werk en een kind, in relatie tot Murakami. Dat verschil is vreselijk, maar het bestaat en ligt vooral bij het publiek.
Jury’s bestaan uit vakmensen: recensenten, bekende personen, soms zelfs politici. Maar ze lezen als lezers. De enige manier om vrouwen meer literaire prijzen te laten winnen: schrijvers in de jury.
Vraag een lezers vijf literaire schrijvers te noemen en ze dreunen steevast de mannelijke bekende namen op, alsof ze vijf voetballers moeten noemen. Lezers, zo wordt altijd gezegd, dat zijn vrouwen. En vrouwen zien in mannen de literaire hotshots. In boeken van vrouwen zoeken ze herkenbaarheid. Een hard en cru boek over twee cowboys die een relatie hebben wordt wel gezien als literatuur maar niet als vrouwenboek. Vrouwelijke lezers bakenen hun eigen veilige doelgroep af en geven vrouwelijke schrijvers een ondergeschikte plaats. Dat komt ergens uit voort: opleiding, maatschappelijke houding, genderverschillen, het spelen met auto’s of met poppen, verschillen in zorgrollen. Maar in de basis is schrijven gelijk, en dat moet verwoordt, anders verandert er niks.
In het NRC-artikel staat de beangstigende conclusie dat ‘de situatie zichzelf in stand houdt.’ Dat komt omdat: ‘Iedereen in de keten van auteur tot lezer doet eraan mee, en iedereen kan de verantwoordelijkheid bij een ander leggen. De lezer kan zeggen dat critici en jury’s hem beïnvloeden, uitgevers kunnen zeggen dat het koopgedrag van lezers de oorzaak is, jury’s kunnen volhouden dat er minder romans door vrouwen werden ingestuurd (omdat die boeken onder een ander genre waren uitgegeven en dus op de stapel ‘komt niet in aanmerking’ terechtkwamen).’
Opvallend aan deze opsomming van wie eraan meedoet: schrijvers worden niet genoemd, en volgens mij is hun rol aan de oorzaakkant ook zeer beperkt. Wel kunnen schrijvers een dominante rol spelen in het gelijktrekken van de manp-vrouw verhoudingen.
Schrijvers moeten natuurlijk schrijven wat ze kunnen schrijven: vanuit de verschillen die er tussen mannen en vrouwen zijn hetzelfde werk doen en iets persoonlijks afleveren dat tegelijk universeel is, en literair. Belangrijke volgorde. Schrijvers moeten niet piepen als er bij een literaire prijs slechts een of twee vrouwen tussen de zes nominaties staan, ze moeten de literaire jury’s als lezers opvoeden. Schrijvers moeten zich mengen, en uitspreken. Schrijvers moeten de lezers vertellen dat er aan de kant van de makers geen onderscheid is, schrijvers kunnen lezers leren dat ze niet op moeten kijken tegen de zogenaamde grote drie – mannen natuurlijk, of welke andere cliché’s ook. Schrijvers kunnen stellen dat lezers pas echt lezers zijn als ze afkomst, gender, kleur, geloofsovertuiging, en weet ik wat voor voorkeuren van de maker los kunnen laten, en dat literaire teksten vanuit het schrijven zelf te beoordelen zijn. Niet vanuit het lezen.
Mannelijke schrijver moeten het mannelijke privilege niet willen hebben, betoogde Philip Huff. Mee eens. Het komt niet bij de mannen vandaan die het privilege wordt toegekend, het komt bij de niet-makers vandaan die geen idee hebben van schrijven.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen