Daar komen we op uit wanneer we dat rondje lopen, aan de andere kant achter een stook bos langs, het korrelige kiezelpad over, dan langs het strandje waar de oever nog net zo is als toen maar waar de lijn met de drijvers verdwenen is, en van daar kijken we naar de overkant waar ik een van de vissers zie zitten op zijn blinkende viskoffer, geen beweging of niks, en steeds denk ik: laat hem niks vangen, en ik denk aan Leen die hier waarschijnlijk een plantenbak in ziet waar hij duizenden plantjes kan kweken of uit kan halen als ze al gekweekt zijn, en ook over hem denk ik: laat dat schepnet zo lek als een mandje zijn of enkel modder opvissen. Dat denk ik.
In de Alpen moet ooit ook zoiets gespeeld hebben, want we kijken hier tegen die massieve bergen op waar de skiërs vanaf komen zeilen, allemaal achter elkaar aan in de meest felle kleuren, om straks weer met die lift omhoog te worden geschoven, maar ooit was dat er allemaal niet en leefden er ook mannen en vrouwen hier, jonge mensen die op avonden als de zon nog net een stukje van de berg bescheen in dat licht gingen zitten en in de frisse berglucht wat wijn dronken en brood aten, liefje bij liefje. In de Alpen. Dezelfde letters als Nepal, wist je dat? Alpen. Het was voor iedereen toegankelijk maar ze waren de enigen hier. En wat hebben die mannen en vrouw gedacht toen ze hier die bomen eruit rosten en die pistes maakten en chalets en er honderdduizend vreemden hun berg op gingen en er weer vanaf kwamen glijden, op hun gemak? Ook zij zaten plots daar naar te kijken en ook al veranderde dat niet van de ene op de andere dag, het veranderde wel en ze zagen het aan en ik weet niet wat erger is, een hek erom en sluiten of een geleidelijke verandering die ook iedereen aangaat en die je ziet gebeuren en waar je ook niks tegen kunt doen. Ik weet het niet.

Fragmentje uit mijn nieuwe roman, verschijnt volgend jaar.

Jan van Mersbergen