In de jaren dertig van de vorige eeuw woedde op de Noord-Amerikaanse vlakten enorme stofstormen. Door eenzijdige landbouw in de jaren twintig, met name het op grote schaal verbouwen van tarwe waar de natuurlijke begroeiing voor moest wijken, kreeg de wind na een droge periode vrij spel. Wolken van stof, soms wel honderd bij tweehonderd kilometer, schoven over de Great Planes van de MidWest, van de Mexicaanse grens tot Canada. Vooral Oklahoma werd zwaar getroffen.
De gevolgen voor de natuur waren desastreus. Tijdens de stormen werd het land gezandstraald. Als de wind ging liggen werd het land bedekt onder een dikke laag stof.
De gevolgen voor de mensen zo nodig nog rampzaliger. Oogsten mislukten jaar na jaar. In de MidWest heerste armoede en honger. Honderdduizenden mensen laadden hun schamele bezittingen op een wagen, spanden er een ondervoed paard voor en vertrokken naar Californië, het land van de perzikboomgaarden, waar vruchtbare grond op de boeren uit Oklahoma lag te wachten, waar het klimaat goed was en waar – om mee te beginnen – werk in overvloed was.
Ze kwamen bedrogen uit.

Over de tragiek van deze volksverhuizing schreef John Steinbeck de roman The grapes of wrath (De druiven der gramschap), die in 1939 verscheen en een jaar later sterk verfilmd werd door John Ford. Woody Guthrie zong liedjes over de stofstormen. En halverwege de jaren negentig liet Bruce Springsteen zich inspireren tot de schitterende en sobere plaat The ghost of Tom Joad.
Het boek van Nobelprijswinnaar John Steinbeck zou verplichte stof moeten zijn voor alle eerstejaars economiestudenten aan Nederlandse universiteiten. In plaats van te leren over vraag en aanbod, en de vervelende consequenties daarvan enkel logisch te vinden, zouden deze ambitieuze jonge mensen die klaar staan carrière te gaan maken in het bedrijfsleven het verhaal van Tom Joad moeten volgen, die met zijn gezin in armoede in Oklahoma woont en lekker gemaakt wordt door pamfletten van perzik- en sinaasappelboeren uit Californië.
Kom bij ons werken. Zoveel cent per dag. Werk genoeg.
Ze weten niet of ze moeten gaan of beter kunnen blijven. In het eerste hoofdstuk van het boek vragen de vrouwen: Wat zullen we doen? Steinbeck:

En de mannen antwoordden: Ik weet het niet. Maar het was in orde. De vrouwen wisten dat het in orde was en de kijkende kinderen wisten dat het in orde was. Vrouwen en kinderen wisten diep in zichzelf dat geen ongeluk te groot om te dragen was, wanneer hun mannen de moed erin hielden. De vrouwen gingen de huizen binnen naar hun werk, en de kinderen begonnen te spelen, hoewel nog aarzelend in het begin. Naarmate de dag vorderde werd de zon minder rood en schitterde op het met stof bepoederde land. De mannen zaten in de deuropening van hun huizen; hun handen waren bezig met stokjes en steentjes. De mannen zaten stil – te denken – te overleggen. (uit: The grapes of wrath)

Ouderwets opgebouwd, heb ik eens een literatuurliefhebber die zichzelf een kenner noemt, over dit fragment horen zeggen. Tsjongejonge, heb ik een geëmancipeerde vrouw over dit fragment eens horen zeggen. Maar Steinbeck schreef zijn roman niet voor verwende kunstminnende vrouwtjes die zestig jaar na de stofstromen in de Westerse wereld groter in getal waren dan de armoedige Okies van toen.
Gelukkig maar. Er is veel bereikt. Tragiek wens je niemand toe.
Maar de tragiek van de Okies levert – wanneer Steinbecks het onder handen neemt – wel prachtige literatuur, op die niet gebaseerd is op opinie of vrolijke praatjes en gevatte theorieën, maar op eenvoud en kracht en saamhorigheid, zoals de mannen die gezamenlijk in de deuropening die niks hoeven te zeggen en toch een duidelijke mening hebben.
Tom Joad vertrok naar het beloofde land. Echter, bij de poort van de eerste de beste goed omheinde perzikboomgaard bleek de familie Joad niet de enige te zijn. Honderden arbeiders verdrongen zich voor het hek, en de lonen bleken een schijntje te zijn van wat de pamfletten vermeldde.
We hebben werk voor honderd mensen, voor dit loon. de rest kan vertrekken. Wil je niet voor dit loon werken, dan kun je ook vertrekken. Een ander neemt jouw plek wel in.
Woody Guthrie, over hem later meer, verwoordde het in een van zijn Dust bowl ballads zo:

Lots of folks back East, they say, is leavin’ home every day
Beatin’ the hot old dusty way to the California line
‘Cross the desert sands they roll, gettin’ out of that old dust bowl
They think they’re goin’ to a sugar bowl, but here’s what they find
Now, the police at the port of entry say
You’re number fourteen thousand for today (uit: Do Re Mi)

Tom Joad zag het onrecht en protesteerde. Hij sloot zich aan bij de voorlopers van de Amerikaanse vakbond. Niet geliefd in die tijd in Amerika, de vakbeweging, en eigenlijk nog steeds niet. In het land waar de mogelijkheden onbeperkt zijn, maar je wel voor jezelf moet zorgen omdat simpelweg niemand anders dat doet, werden vakbondsmensen gezien als communisten, en communisten waren praktisch vogelvrij.
Als er over het werk en over het loon gepraat wordt vraagt Tom Joad zich hardop af: Die perziken moeten meteen geplukt worden, hè? Zodra ze rijp zijn? Nou stel dat die mensen bij elkaar komen en zeggen: ‘Laat ze verrotten.’ Dan zou het heus niet lang duren voor de prijs omhoog ging.
De reactie van een jongen die al langer in Californië zit: Ze zullen je in een sloot vinden, met opgedroogd bloed op je mond en je neus.
Naast eerstejaars economie studenten is The grapes of wrath ook verplichte kost voor hedendaagse vakbondsmensen. Die zullen al na het lezen van dit boek, of na het bekijken van de verfilming uit 1940, met Henry Fonda in een sublieme rol als Tom Joad, misschien begrijpen dat een vakbond van oorsprong iets anders doet dan het verdedigen van een paar leden die een paar procent extra loon willen, bovenop hun redelijke loon.
De oorsprong van de vakbonden ligt in het beschermen van de werknemers tegen de ergste vormen van uitbuiting en in het Amerika van de jaren dertig was dat aan de orde van de dag. We vragen niks extra’s, we vragen enkel een fatsoenlijk loon dat past bij de waardigheid die we zelf wel meebrengen.
Tom Joad is de verpersoonlijking van de mensen geworden die leden onder de uitbuiting van gewetenloze werkgevers en die streden tegen onrecht. Hij kreeg het aan de stok met de militante knokploegen die de boomgaarden moesten bewaken. Die, in andere woorden, alle lastige lieden een pak slaag moesten geven. Moord werd niet geschuwd.
In een van de beroemdste scènes uit de film waarin Tom Joad naast zijn moeder zit en ze afscheid moeten nemen en zij hem vraagt wat hij zal doen, verwoordt Henri Ford Joads gedachten als volgt:

I’ll be all around in the dark. I’ll be everywhere. Wherever there’s a fight so hungry people can eat, I’ll be there. I’ll be in the way when guys yell, when they’re mad. I’ll be in the way when kids laugh when they’re hungry and they know supper is ready. And when the people are eatin’ the stuff they raise and livin’ in the houses they build. I’ll be there too. (uit de film The grapes of wrath)

Mooie teksten, maar dit is nog niet het mooiste. In het vervolg namelijk zegt de moeder: I don’t understand it, Tom.
En Tom zegt: Me neither, mam.
Dat is de geest van Tom Joad; het verzet schuilt in de mensen zelf zonder dat ze zich daar bewust van zijn, en juist daardoor zal verzet er altijd zijn, ook als Tom Joad en zijn moeder en alle andere mensen er niet meer zijn. En Tom Joad begrijpt misschien niet precies waar zijn gedachten vandaan komen, hij voelt het wel.

Verscheen in: Wahwah

Jan van Mersbergen