Moeilijk, moeilijk, moeilijk. Moeizaam, moeizaam, moeizaam. Dat is schrijven over schrijven wanneer het in een roman opgenomen moet worden. En toch ga ik dat proberen.
In artikelen is het prima, dan vertel ik over schrijven en wordt het een betoog over mijn werk. In een roman moet het verband houden met de personages. Een van hen is schrijver. Ben ik dat zelf? Hoe staat hij tegenover het schrijven? En de lezers? En tegenover andere personages? Dat zijn een heleboel vragen en de antwoorden zijn nog niet zon ingewikkeld, vooral het waarom is ingewikkeld. Waarom moet dat personage schrijver zijn?
In Morgen zijn we in Pamplona was de bokser in eerdere versies een schrijver. Vijf versies lang bokste ik op tegen de moeizame moeilijkheid van het schrijven over schrijven. Ik kwam er niet uit. Hij kletste maar door over schrijven en het andere personage deed alsof dat interessant was. Het was ellendig. Tot ik The Sun Also Rises erbij pakte, Hemingways roman over de stierenrennen in Pamplona, en in de openingszin had hij het meteen over een kampioen middengewicht. Toen wist ik: ik moet een bokser hebben.
Van de schrijver in mijn nieuwe roman maak ik geen bokser. Het zal een schrijver zijn die vooral vanwege de verhouding met zijn vader een schrijver is. Het zal gaan over afstand nemen van de geboortegrond. Het zal gaan over de bagage die je meeneemt en die je voor het schrijven nodig hebt maar ook over de nieuwe wereld van de grote stad waar niemand op die achtergrond zit te wachten. Het zal gaan over het produceren van tekst, het maken, het daadwerkelijke werken. Dat wordt vaak vies gevonden en mijn schrijver leeft daarbij juist op. Het zal gaan over een lezer, een van de andere personages die in de versie die ik momenteel herschrijf nogal verongelijkt is, en dat moet er af. Zij is een lezer. Maar die schrijver en zijn vader, daar gaat het om.
Ben ik die schrijver zelf?

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen