De kraaien die op het brede stuk van de straat om de hoek leven zaten erg dicht bij elkaar en een van hen hield de vleugels aan het gras, maakte zich breed en kraaide heel schel en fanatiek, alsof ze andere kraaien riep of waarschuwde of iets anders wilde zeggen. Toen ik langs de kraaien fietste zag ik tussen de vogels in iets zwarts liggen. Het was een dode mol. Dat formaat, die kleur, die vacht, dat moest een mol zijn, ondanks dat je hier nergens molshopen ziet. Ik keek nog eens goed. De andere kraaien die in de mol pikten waren grauw en zagen er onbeholpen uit, de kraai die steeds maar riep was echt goed zwart en relatief klein, dat was de moeder en die anderen waren de jongen. Nu begreep ik dat roepen. Ze hield andere kraaien of meeuwen of eksters weg en ze riep haar eigen jongen. Etenstijd. Zag je dat? vroeg ik aan mijn zoontje die voor op de fiets zat. Vogel, zei hij. We fietsten naar de winkel om melk te halen, brood, een pak rijst en groente.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen