Gone, baby, gone is een politiethriller van Dennis Lehane over het speurdersduo Angela Gennaro en Patrick Kenzie. Het is vertaald onder de titel Over mijn lijk, een minder subtiele thrillertitel die meer nadruk legt op dood en verderf dan op de vermissing van een kind, want dat is het begin van het verhaal.
Een  kindje van vier is vermist. Amanda. De politie krijgt het onderzoek niet van de grond, Kenzie en Gennaro gaan zoeken. De moeder, Helene, is een verwarde drank- en drugsverslaafde die het liefst televisie kijkt, ook nu haar kindje weg is.
Patrick Kenzie is de verteller. Vooral de passages waarin hij bespiegelingen heeft op het leven en op de dood, op zijn beleving, zijn erg goed. Dat zijn roman-passages die je zelden in thrillers aantreft.
‘Overal om ons heen stierf de herfst in technicolor. De bladeren die van de takken zweefden en in het gras bleven liggen, waren fel geel en vlammend rood, glanzend oranje en roestig groen. De indringende geur van stervende dingen, die zo bij de herfst hoorde, hing in de lucht die door onze kleren sneed en maakte dat we onze spieren spanden en onze ogen wijd open deden. Nergens doet de dood zich zo spectaculair, zo groots, voor als in oktober in New England. De zon, losgebroken van de onweerswolken die de ochtend hadden bedreigd, veranderde ramen in harde rechthoeken van wit licht en legde zijn warme gloed op de bakstenen rijtjeshuizen rondom het tuintje, een rokerige tint van rood die goed bij de donkerder gekleurde bladeren paste.’
Bijzonder veel kleuren. Ik tel er al zes of zeven. En ook geur, want in het huis waar het tuintje achter ligt zijn twee lijken aangetroffen. Kenzie gaat verder:
‘De dood, dacht ik, is niet als de herfst. De dood is recht achter ons. De dood is de smerige keuken van Wee David en Kimmie. De dood is zwart bloed en ontrouwe katten die alles vreten wat ze te pakken kunnen krijgen.’
Mooie beelden en veel verderf en toch dat samen in een poëtisch geheel, hard en sfeervol tegelijk.
Het boek kent veel personages, veel politieonderzoek dat me soms aanzet tot gauw verder bladeren, maar dan komt er steeds zo’n goed geschreven passage, bijvoorbeeld over dat de vrouwelijke hoofdpersoon graag een kindje wil, en dan geniet ik echt van de taal van Lehane, van het ritme van zijn zinnen, de eenvoudige woordkeuze, van deze mooie vertelling.
Als de verteller de moeder van het verdwenen meisje tegenkomt nadat het onderzoek niets heeft opgeleverd, maanden later, beschrijft hij de vrouw. Ze geeft een glas bier in haar handen: ‘Ze keek in dat glas alsof Amanda op de bodem lag te wachten.’

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen