De blikjes waaiden van de picknicktafel. Ik had de plantjes eruit gehaald, die waren dood, verzopen of uitgedroogd, ik weet het niet. In ieder geval rolden de lege lichte blikjes door de tuin met de wind van afgelopen week. Ik zette ze terug op tafel, op de tegel die daar ligt, die de roest van de blikjes opvangt zodat het geen kringen maakt in het hout.
Ik moest naar de stad. De dag ervoor belde mijn dochter op. Haar ketting was van de fiets gelopen, op weg naar school. Nu moest ze steppen. Ze kwam nog wel op tijd, maar of ik haar op kwam halen die middag, om de ketting er weer op te leggen.
Jij kunt ook niks zelf, zei ik.
De fiets heeft een kettingkast die met schroeven vast zit. Krijg je dus niet zo maar los. Ik ging naar school met wat gereedschap. Ik schroefde de kettingkast eraf en liet haar zien hoe je het wiel bij de as losdraait en hoe je de kettingspanners aan kunt draaien. Ze lette niet op.
De fiets had mooie kettingspanners die niet klem zitten bij de spijlen van de bagagedrager of het spatbord, maar helemaal achteraan het frame, met schroefjes die een stukje uit steken.
Haar oude fiets stond bij school. Op dat fietsje zit een rekje. Dat haalde ik eraf en bevestigde ik op haar grote fiets. Voor haar tas.
De kettingkast gooide ik weg, samen met de schroeven, bouten van de oude fiets, de dynamo die wel op de fiets zat maar niks meer deed, een paar andere overbodige dingen.
Ook smeerde ik de ketting met olie. Dat was heel lang niet gebeurd. De ketting was stug.
Toen we terug fietsten vroeg ik of de fiets een beetje lekker reed.
Ja, zei ze. Hij rijdt goed.
Hij is nu ook veel lichter, zei ik. Zonder al dat overbodige blik.
Ze zei: Hij is zwaarder. Door dat rekje.
Ja, maar het voelt lichter. Want nu heb je je tas niet op je rug.
We kwamen in de tuin. Ik zocht de blikjes op. ze lagen een eind uit elkaar. Ik raapte ze op en zette ze in de schuur.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen