Als het water een spiegel is, zoals op deze prachtig zonnige ochtend, ga ik op de brug staan net voorbij de molen, bovenaan de dijk, en kijk ik met mijn zoontje naar het water en laat ik hem de visjes aanwijzen. Als het water zo vlak en rustig is kan hij de vissen zien en wijst hij ze aan, de grote en de kleine vissen. Het zijn voorntjes. Ik heb geen hengel bij me.
We gingen eigenlijk alleen boodschappen doen, maar op de parkeerplaats voor de supermarkt voelde de zon zo lekker en was de lucht zo helder, we hoorden de vliegtuigen opstijgen en ik vroeg die jongen of hij nog een stukje wilde fietsen. Ja. We zien blauwe vliegtuigen, we zien meerkoetjes met grote voeten, we zien een mooie speeltuin aan een plantsoen waar witte huizen omheen staan en van daar rijden we door naar de dijk. We klimmen omhoog. Het water in de ringvaart staat tot de rand. Daar zijn de visjes.
Thuis zoek ik op hoe lang die ringvaart eigenlijk is. Hij moet in een rondje lopen, om Schiphol heen. Hij is zestig kilometer lang. Op veel plaatsen is de dijk de grens tussen Noord- en Zuid-Holland. Die hele polder ligt in Noord-Holland.
‘In 1839 is begonnen met graven door duizenden arbeidskrachten.’ Honderdtachtig jaar geleden. En het ligt er nog steeds. Waar haalden ze die arbeidskrachten vandaan? Kregen ze wel wat betaald? Die vragen zijn er, maar ook het idee om die ringvaart een keer helemaal rond te fietsen. Op een dag als vandaag zou dat mooi zijn. Als je aan de binnenkant van de ring fietst dan kun je overal doorfietsen. De buitenkant wordt op heel veel plaatsen onderbroken.
Ik heb een plan.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen