Er zat een egeltje in de tuin. Hij zocht de uitgang. Hij zat vast in de wirwar aan plantjes tegen de schutting. Hij was op een of andere manier in de tuin gekomen, maar er weer uit was moeilijker. Mijn dochter en jongste zoon stonden toe te kijken. Ze riepen: Een egel, een egel. Ik zei: We moeten hem bevrijden. Dat vonden ze een goed idee maar ze durfden hem niet op te pakken. Ik trok wat planten weg zodat de egel beter te pakken was en vouwde mijn handen om hem heen. Hij prikte. Natuurlijk prikte hij, dat is zijn belangrijkste afweermiddel. Ik rilde hem om. De onderkant prikt niet, wist ik. De onderkant is heel zacht. Als je de prikkels naar achteren schuift prikken ze minder, ontdekte ik. Uiteindelijk kon ik de egel oppakken en hem op de picknicktafel zetten. Hij zat op een handdoek. Mijn dochter pakte hem ook op. Ze wilde met de egel op de foto. Mijn zoontje wilde hem brood geven. De ellende met dit soort aandoenlijke diertjes is: ze zetten zich vast in de hoofden van kinderen. Je kunt de egel vrij laten en zeggen: Hij gaat weer naar huis, naar zijn papa en mama. En dan knikken de kinderen, maar eigenlijk willen ze de egel houden en er de hele dag mee op schoot zitten. We zetten de egel terug in de tuin, een beetje aan de achterkant tegen de schuur aan, dan kon hij wel een weg naar buiten vinden. na een tijdje zag ik hem langs de schuur naar de poort waggelen. Daar kon hij gemakkelijk onderdoor. Mijn dochter zeurde nog even over een cavia of een konijn of een hond, het maakt haar niet uit wat voor huisdier, als er maar een huisdier komt. Ik wil helemaal geen huisdier.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen