De titel verklapt het eigenlijk al: een boek dat Een klein leven heet moet wel gaan over een heleboel wissewasjes en over een lange periode. Veel pagina’s met kleinigheden. Aan die verwachting beantwoordt de bejubelde roman. Zeer terecht bejubeld trouwens, want Een klein leven van Hanya Yanagihara is een grootse veelomvattende en goed geschreven roman, maar ook vermoeiend door de omvang en vooral door de manier van vertellen.
Vier vrienden van onduidelijke geaardheid, in New York, met een omslag waarop een man (een foto van Peter Hujar) met een uitdrukking – ogen dichtgeknepen – die het midden houdt tussen pijn en genot, en zinnetjes als ‘Hij was dol op alles wat Jude bakte’, en ‘ben je boos op me?’ lost een andere verwachting in: dit boek bevat eindeloos veel nichtengeklets, dat een sfeerbeeld van deze generatie moet geven. Ook die verwachting wordt ingelost. Een goed getroffen levendig beeld dat aan de andere kant veel lezers kriegelig zal maken, want soms zijn de omgangsvormen erg tuttig en wordt ook dat expliciet beschreven en mis ik een iets steviger omgang tussen deze jongens. Het is aandoenlijk, de pijn van hoofdpersoon Jude wordt goed neergezet en er zijn lezers die het leed van deze jongen goed kunnen voelen, ik probeerde het te voelen maar stoorde me vooral aan de manier waarop de drie vrienden met Jude’s pijn omgaan. Ze zijn figuranten.
Die jongen snijdt zichzelf, daar zit een heel verhaal achter, en de andere drie weten dat maar zeggen daar niks over. Ik wacht dus op een moment waarop een van de vrienden werkelijk met Jude gaat praten, waarop deze jongen gesteund en zijn leed erkend wordt. Dan leeft voor mij die vriendschap. In ieder geval kan een poging worden ondernomen. Dat gebeurt niet, en dat geeft mij een hopeloos eenzaam gevoel. Misschien is onmacht de bedoeling van deze roman. Dan werkt het goed. Ik vrees eerder dat het eerder gaat om de pijn van Jude die over moet komen dan het gemis aan steun bij de mensen die dichtbij hem staan.
Een klein leven kent zeker wel mooie zinnen en mooie beelden. Sporadisch. Een van die jongens is van IJslands-Deense komaf en groeide op in Wyoming, had een broer die Hemming heette en gehandicapt was:
‘Het enige wat hij miste, afgezien van Hemming, was Wyoming zelf: het volkomen vlakke landschap, de bomen zo diepgroen dat ze blauw leken, en de turfachtige appelgeur en zoete mestlucht van een paard nadat het ’s avonds was geborsteld.’
Yanagihara zet hier een complete Amerikaanse staat neer in kleine beelden. Haar vertelling gaat van zeer groot naar gedetailleerd. Dat is bijzonder. Eigenlijk beschrijft ze de staat Wyoming aan de hand van details, geuren en het borstelen van een paard in de avond. Prachtig. Bovendien is dit persoonlijk en lang vol te houden.
In Een klein leven worden echter personages precies andersom neergezet. Als op pagina 101 ene Felix geïntroduceerd wordt staat er, vanuit een van de jongens (inwisselbaar) gedacht:
‘Hij had medelijden met Felix, die klein en onaantrekkelijk was en de gewoonte had in een van zijn smalle neusgaten te peuteren, met een diep borende wijsvinger, tot hij besefte wat hij deed en hem snel terugtrok en afveegde aan zijn spijkerbroek. Acht maande later had hij nog steeds geen duidelijk beeld van Felix’ leervermogen.’
Dat neuspeuteren geeft een aardig beeld van Felix, echter de tijdssprong over acht maanden en de zeer algemene typering van dezelfde jongen als klein en onaantrekkelijk, maken de vertelling juist groot en onpersoonlijk. Waarom dat medelijden en hoe uit zich dat? Wat is ‘onaantrekkelijk’? Wat is ‘een beeld van iemands leervermogen’? Felix is een kartonnen poppetje. Hij wordt van onbeduidend naar groot neergezet, in de vertelling, en dan voelt de lezer dat rondom deze jongens heel veel figuranten ronddrentelen die allemaal even gauw moeten worden neergezet, op iedere bladzijde weer een nieuwe. En dan mis ik een beschrijving zoals van Wyoming, een staat zes keer groter dan Nederland maar treffend neergezet, heel eigen, en in tegenstelling tot het stilstaande poppetje Felix zit er beweging in het borstelen en wordt de tijd afgebakend tot één avond; geen acht maanden lang een kleine en onaantrekkelijke jongen.
Dit zijn details in de vertelling die heel bepalend zijn voor wat de lezer meekrijgt, en een lezer die meer gevoel meekrijgt over een vierkant stukje Amerika dan over een jongen die weliswaar zijfiguur is maar ook een eigen leven heeft, haakt snel af.
Wat Yanagihara doet: vertellen vertellen vertellen.
Haar typeringen zijn goed en levendig opgeschreven, het blijft echter een lange vertelling waarin bij de meeste beschrijvingen direct duidelijk is hoe het zit. Felix is onaantrekkelijk, Jude heeft medelijden met hem. Een plus een is twee.
In de – zeer positieve – recensies over deze roman komt terug dat de personages maar één eigenschap hebben en sjablonen zijn (Joost de Vries in Groene Amsterdammer) of dat de successen van de vier jongens bijna ongeloofwaardig zijn en hun onderlinge contact zo grootmoedig en verontschuldigend is dat je er jeuk van krijgt (Auke Hulst in NRC), toch is het algemene oordeel dat je meegaat in het leed. Ik kan zeggen dat ik meega in het leed van deze Jude, ik ga niet mee in de vertelling.
Zo wordt Jude overgeleverd aan de sadistische Caleb: ‘Als hij bij Caleb is voelt hij zich tegelijk menselijker en minder menselijk.’ Weer zo’n algemene beschrijvingen. Helemaal waar, maar ook bedacht en vlak. Ik mis de geur van een pasgeborsteld paard in de avond.
Bladzijden en bladzijden verder: ‘In plaats daarvan gaf hij zijn aangeboren optimisme de ruimte om zijn angsten te versluieren en om iets te zonnigs en vreugdevols van hun relatie te maken.’
Een totaal vertelde analyse van een jongen en zijn relatie, maar ik weet niet hoe dat zonnige en vreugdevolle er in het kleine dagelijkse leven uitziet. Weer een beschrijving van een heel groot leven over een kleine jongen. En weer geen nuance in beelden. Als Yanagihara zou laten zien hoe het ruimte geven aan iemands aangeboren optimisme oogt dan kan ik dat misschien voelen. Nu krijg ik een overdosis aan informatie en een zeer uitgebreide psychologisering, maar ik heb geen idee wat dit met deze jongen doet. Hoe versluiert hij die angsten? Loopt hij dicht langs de gevels? Of denk ik dan te simpel? Kruipt hij weg in zichzelf? Onder een kussen? Ja, ik weet: hij snijdt zichzelf en daar zit een heel intense geschiedenis achter, zeer pijnlijk om te lezen, maar na honderd beschrijvingen die eerder uit een handboek zelfhulp lijken te komen dan dat ze passen bij deze Jude, voel ik eigenlijk alleen maar afstand tot hem. En dat is niet de bedoeling.
Momenteel speelt de toneelversie van Een klein leven, door toneelgroep Amsterdam, in regie van Ivo van Hove en met Ramsey Nasr in de rol van Jude. Ik ben heel benieuwd naar de voorstelling, vooral omdat de eindeloze vertellingen uit het boek op toneel vanzelfsprekend overgeslagen moeten worden en de pijn van de hoofdpersoon en zijn vrienden wel vertaald moet zijn naar beelden, dialogen en handelingen. Een bijzondere uitdaging die gezien de recensies en reacties op de voorstelling goed gelukt is.
Dat zegt ook veel over de roman: lezers die zich door deze vertelling laten meesleuren lezen voor de beleving maar deels ook voor het gemak. Je hoeft het niet zelf voor je te zien, alles wordt je keurig meegedeeld, hoe schimmig en pijnlijk ook. Lezers die meer van leeswerk houden, van het vormen van beelden en het leggen van verbanden in je hoofd aan de hand van summier aangereikt materiaal, komen waarschijnlijk beter aan hun trekken in de theaterzalen waar Een klein leven nu furore maakt.

«

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen