In de fietsenkelder stond een jongen met een enorme fles wijn. Drie liter. De kurk was er al af. In die tijd had je nog geen cameratoezicht. Wel had je ook toen al weddenschappen. De jongen zou de fles wijn in één keer opdrinken. Iedereen wist ervan. Aan het einde van de middag, in de fietsenkelder. Ik zette mijn fiets altijd aan de rechterkant in de rekken die tegen de muur stonden, nooit in het midden. De jongen stond bij mijn fietsenrek. De fles leek steeds groter te worden. Toen iedereen er was, niemand had daar zicht op, maar we dachten dat iedereen er nu wel was, werd er een startsein gegeven. De jongen zette de fles aan zijn mond. Hij dronk. hij dronk heel erg lang en je werd al misselijk als je ernaar keek. Het duurde zo lang, ik verwachtte de schoolbel te horen om aan te geven dat het nu wel tijd was. Hij dronk alles op. Zure rode wijn. Hij zette de fles op de betonnen vloer van de fietsenkelder. Dat deed hij nog netjes. Er gingen wat briefjes van vijf en tien gulden van hand tot hand. Hij kreeg een flinke stapel geld, stak het in zijn broekzak. Toen probeerde hij naar de uitgang te lopen, het talud waar je je fiets tegen omhoog moest duwen, met brede traptreden en een gootje langs de wand. Hij wankelde. Halverwege het talud gaf hij over. De wijn liep de fietsenkelder in.

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen