In het dorp wist niemand precies waar dat leren voor was en wat je allemaal ging leren op die school in de stad, aan de andere kant van de rivier. Die stad was onbekend. Je moest de brug over en die brug lag er nog maar zo’n twintig jaar en iedereen kende de verhalen van daarvoor, van toen de brug er nog niet was en je met het pontje naar de overkant moest, als je dat wilde. Niemand wilde naar de overkant, niemand wilde naar die stad, ik eigenlijk ook niet, alleen twee keer per jaar om kleren te kopen want er was daar een warenhuis waar je in één keer alle kleren kon kopen die je nodig had, broeken en truien en shirtjes en een jas voor de winter. Ze hadden in dat warenhuis een ingenieus buizensysteem waardoor kokers met geld afgevoerd werden. Dan betaalde je bij de kassa, gewoon nog met papiergeld, en dan stopten ze dat in zo’n doorzichtige koker en verdween dat ding, hup weg. Geweldig vond ik dat buizensysteem. Toen ik dat zag begreep ik waarom ze die brug voor ons aangelegd hadden: om dit soort supersonische systemen te kunnen zien. Maar ook om er even naar te kijken en dan weer gauw die brug over te gaan naar ons eigen stuk klei waar briefgeld dubbelgevouwen in broekzakken zit.

(Ergens in het voorjaar verschijnt mijn nieuwe roman die ik nu herschrijf, versie vier of vijf. De verteller is een vrouw. Dit is een fragmentje uit het eerste hoofdstuk.)

»

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen