Op Texel was het zomer, in oktober. Drie dagen zon, blauwe hemel, mijn jas aan het rekje voorop mijn fiets geknoopt. Ontzettend relaxed weekendje, het was alleen even werken toen we terugfietsten van de vuurtoren helemaal op de noordelijkste punt door de polder naar een van de dorpjes waar we wat wilden gaan eten. De wind tegen, de polder vlak, de weg recht. Het maakte de tosti wel lekkerder, in het dorpje dat Waal heet.
Een van mijn eerste vakanties zonder mijn ouders was op Texel. Ook met de fiets. Volgens mij zat ik er een week, logeerden mijn broer en een vriend en ik bij een boer op een weilandje omdat alle campings vol waren, en zaten we iedere avond in café het Kuipje in de Koog, veel meer heb ik niet gezien van het eiland, toen.
Nu wel. De fietsen waren een uitkomst, die konden mee op een rek achterop de auto. Geen zeehonden gezien, wel vissersboten, vogeltjes, een dood konijn. Uit eten, lunchen, bier drinken, ontbijt op de kamer, en de volgende dag niet veel anders.
De gesprekken die je voert tijdens zo’n weekend gaan veel over onze zoon, die thuis was. We misten hem, we wilden ook even zonder hem. Even samen zijn zonder kinderen, en dan praat je toch veel over de kinderen, tot je werkelijk begrijpt wat je eigenlijk zonder kinderen doet zo’n weekend, dan schakel je over op gesprekken die alleen over ons gaan, ongeacht de kinderen. Die gesprekken zijn goud.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen