Ik herlas twee boeken en in de slotzinnen van beide boeken komt een vogeltje voor. Die boeken van twee totaal verschillende schrijvers hebben niks met elkaar te maken, maar die vogeltjes misschien wel.
In het ene boek een tureluur. ‘Kamperfoelie, de alarmroep van een tureluur ver weg.’ Zo eindigt De heilige Rita van Tommy Wieringa.
Bovenaan de laatste bladzijde van Cynan Jones’ Inham, staat: ‘Als een vogeltje zo groot als een winterkoninkje het kan overleven in de klauwen van een kat.’ Daarna volgen nog twee alinea’s die slechts bestaan uit een regel, met als slot: ‘Hij wist het,’ maar voor mij is dat vogeltje de afsluiting van het boek.
Die alarmroep van Wieringa’s tureluur, dat geluid waarvan geen lezer weet hoe het klinkt, is toch heel beeldend, vooral omdat erbij staat: ‘ver weg’ en omdat het zinnetje begint met kamperfoelie, ook al iets waar ik geen beeld bij hem maar wat ondoordringbaar is, voor mijn gevoel dreigend. Op een of andere manier hoor ik dat vogeltje alarm slaan. En toch is het ook prettig dat die vogel alarm slaat. Het is zijn plicht, zijn aard, het is hoopvol dat de natuur zo werkt.
Het winterkoninkje van Jones moet wel een erg klein vogeltje zijn, daar duidt de vergelijking op. Die klauwen van de kat zijn enorm, en ook dreigend, maar vogeltje zo groot als een winterkoninkje overleeft het. Dat is hoopvol. Ik hou van een hoopvol slot.

Morgen meer hierover, laat op de avond bij het Crossing Border festival in Den Haag, als ik beide schrijvers interview. Het gesprek zal in het Engels zijn, ik moet nog even opzoeken wat tureluur en winterkoninkje in het Engels zijn. En kamperfoelie.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen