Na ruim anderhalf jaar werken aan mijn nieuwe roman kwam een fase van wachten en aftasten, van overleg, van allerlei bijzaken die toch heel bepalend zijn: titel, omslagbeeld en flaptekst moesten worden vastgelegd.
De flaptekst hadden we al. Samen met de laatste redactie is er een tekst opgesteld die heen en weer ging tussen mijn redacteur en mij, steeds een paar woordjes veranderen, een zinnetje aanpassen, even de volgorde omgooien en vooral het verhaal vertellen zonder al te veel weg te geven. De inhoud van het boek is wel te vatten in een soort samenvatting, maar dat is nog geen goeie flaptekst, en ook geen goeie tekst voor in de voorjaarsaanbieding van de uitgeverij. Dat vraagt meer dosering, spanning en vooral een kernvraag waar de roman over gaat.
Toen de filmrechten van Naar de overkant van de nacht verkocht werden aan Pupkin zei regisseur Pieter Kuijpers: Dit boek gaat over een man die tijdens carnaval ontdekt dat hij het waard is om van te houden.
Had je dat niet wat eerder kunnen zeggen, zei ik. Dit had de slotzin van de flaptekst moeten zijn.
Ik wist wel dat de roman daar over ging, maar ik had die kernachtige zin op die manier nooit gehoord. Zo werkt schrijven niet. Je schrijft een roman met veel haken en ogen, een paar thema’s, een verhaallijn en een weg van a naar b, en alles wat daartussenin gebeurt moet bij elkaar aansluiten. Je schrijft niet een roman vanuit een enkel idee.
Toch is het iedere keer weer zoeken naar die ene zin die het boek verklaart. Waarom deze roman? Wat wordt er onderzocht in dit boek? Waarom moeten we dit gaan lezen?
De nieuwe roman ‘laat zien dat persoonlijk handelen pas echt groots kan zijn als dit voor iedereen waarde heeft.’
Dat is het. De daden van één enkele man hebben dertig jaar geleden grote gevolgen voor een gehele gemeenschap, en die daden worden aanvankelijk totaal verkeerd ingeschat. Voor de verteller en haar man krijgt dat verleden een andere betekenis als ze horen dat die gehate man overleden is. Startpunt.
Flaptekstje is op dit begin en deze kern gebaseerd. De titel was het moeilijkst. Ik had een lijst van twaalf titels. Die waren bijna allemaal niet goed. Te expliciet, te pathetisch, te bot, te klein. Een titel verklapte de clou van het eerste deel, dat liever niet. Titels hadden interessante woorden: waterval, zomer, vis, vijver, maar dat stuurde toch net allemaal te veel. Toen kwam de uitgeverij met een eenvoudige aanzet die te maken heeft met de kans die zich in het verhaal voordoet. Het verhaal werkt naar een climax, en dat is de basis van de titel, daar zijn we op door gaan borduren.
Ik hou van titels met beweging en richting, en ook iets verrassends. Naar de overkant van de nacht. Morgen zijn we in Pamplona. Dagboek uit de rivier. Niet naar de andere kant van de rivier, dat is te plat. Een tijdsaanduiding om in de stad van de stierenrennen aan te komen werkt goed, dat geeft hoop en vertrouwen. Een dagboek in het water, dat is vervreemdend. De nieuwe titel wordt binnenkort wel verklapt, die heeft in ieder geval zo’n soort richting, en een plaatsbepaling.
Na de titel was het omslagbeeld in een ochtend voor elkaar: lettertype, kleurstelling en beeld waren bij het eerste voorstel meteen goed, en dan ga ik verder niet moeilijk doen en zeker geen andere beelden aandragen want vrijwel nooit is een beeld dat ik in mijn hoofd had om het omslag gekomen.
Zeer bepalend, zo’n beeld. Jaren later verschijnt zo’n omslagbeeld nog in bladen, in de krant, op internet. Je kunt er eigenlijk nooit meer vanaf, dus het kan maar beter een aardig beeld zijn.
Nu ligt bijna alles vast. Ik sleutel aan de laatste versie die ook zo maar de op-een-na-laatste versie zou kunnen zijn, dat weet je nooit. Er moet ook nog een nieuwe auteursfoto komen, de afspraak met de fotograaf staat, ik heb een overhemd klaar hangen.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen