De bus had de bochten en rotondes gehad en draaide nu de grote weg op, gelijkmatig en rustig. De zon ging onder in het westen boven de polders. Ik wist: als we er zijn is het donker en een vervolgbus is er niet meer dus ik zal een eindje moeten lopen of zien te liften.
De sporthal waar ik eindexamen deed, de autosloot, de flat aan de andere kant van de snelweg. De brug naderde. Alleen nog een klein streepje licht boven de rivier aan de kant van Dordrecht, en toen daalde de bus en remde hij al af want daar was de halte al, destijds de enige halte op het eiland.
Ik stapte uit. Geen bliepkaart, je kon toen nog een kaartje kopen bij de chauffeur. Zes euro. Het was donker.
Ik liep naar de provinciale weg. meestal was er wel redelijk wat verkeer rond deze tijd maar het was december en iedereen zat al bij de kachel. Ik liep de dijk af. Na een minuut of vijf hoorde ik achter me een auto. Het was de eerste auto die me achterop reed en ik stak mijn duim op en hij stopte een eindje voor me. Ik stapte in.
Waar moet je naartoe? vroeg een man.
Naar het dorp, aan de kant van de benzinepomp.
Ga ik ook heen, zei de man en bij de watertoren sloeg hij linksaf.
Hij keek een paar keer opzij. Zat jij vroeger niet af en toe in het Wapen.
Klopt.
Biljarten.
Driebanden, zei ik. Tenminste, soms lukte er eentje over drie banden, maar meestal speelden we libre.
En die vriend van jullie zat altijd achter de gokkast.
Hij dacht dat hij die kast door had, zei ik. Hij zei altijd: Nu gaat-ie uitbetalen.
De man knikte. Hij kende het café met de kromming in de bar en het hoekje met het biljart en het zaaltje daarachter. Even was ik weer daar terug, ook al zat ik in een auto op een smal polderweggetje.
Dat moet mijn nieuwe roman ook doen. Even meeliften naar die plek, naar die tijd. En toch vooruit gaan.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen