Ik zag een man met een grote stofzuiger de zeebodem afgaan. Er lag goud op de bodem van de zee in Alaska. In het koude water. De man had een duikpak aan, zuurstoffles op zijn rug. Hij hield de slang vast en zoog de bovenste laag van de zeebodem op. Boven stond een machine op het ijs die de bodem filterde. De man kon het goud al zien liggen. Ze waren heel blij.
Hele mooie televisie vind ik dat. Goud zoeken. Die mensen doen dat gewoon. Ze gaan naar Alaska, de bossen in of zelfs dus op zee, en ze investeren in allerlei spullen om het goud te zoeken, om de grond schoon te wassen, om het goud te vinden, te wegen, om geld te verdienen.
Schrijven gebeurt ook op de ijskoude zeebodem en ook in de bossen van Alaska. Het heeft iets weg van goud zoeken. De bodem afspeuren. Opzuigen. Schrijven is zoeken. Je duikt achter je computer het koude water in en je ziet wel.
Lezen is goud vinden. Op je gemak met een boek onder een leeslamp zitten is als het vinden een klompje goud in een filtermachine, zonder te weten hoe lang de schrijver ernaar gezocht heeft.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen