Afgelopen weken wachtte ik tot Sinterklaas me het boek van Lucia Berlin zou brengen. Dat duurde lang. Niet dat die bestelling zo veel tijd nam, het was eerder dat ik tot pakjesavond niks te lezen had.
Ik probeerde De buitenstaander van Stephen King, maar daar kwam ik niet in. Ik vond het gegeven gruwelijk (een verkracht jongetje) en de opzet chaotisch en te veelvormig: een vertelling, politieverhoren, brieven van onderzoekers. Het deed me niet veel.
Ik haalde een paar klassiekers uit de kast. Vader en zonen van Toergenjev. Omdat het aan zou moeten sluiten bij mijn Man/vader bundel, ik was wel benieuwd hoe deze gedateerde Russische roman nu bij me zou binnenkomen, en daarover kan ik zeggen: De lange moeilijke namen stoten me nog meer af dan twintig jaar geleden en het taalgebruik met de vele bijzinnen en kronkeltjes is me niet concreet genoeg.
Ik las de eerste pagina’s van Michael Ondaatjes De Engelse patiënt, een bijzonder goed geschreven roman die me nu ook wat geforceerd overkomt. Vreemd toch hoe een boek kan veranderen zonder te veranderen, ik verander dus als lezer. Van Ondaatje heb ik hier ook nog zijn jongste roman Blindganger staan, en daarvan las ik ongeveer een derde. ook een moeilijk vormelijk boek waarbij de personages me niks deden. Veel afstand.
Er staat al jaren een bundel van James Salter in mijn kast. Ik heb die bundel (Alle verhalen) al zeker vijf keer opengeslagen en iedere keer begrijp ik er helemaal niks van, van geen enkel verhaal. Ik weet niet over wie het gaat, waar het speelt, wat de mensen willen van elkaar. Ik lees over een schrijver die beroemd is en een schrijver die niet beroemd is en ik voel allebei die mensen niet. Ik lees over een man die ligt te slapen in de eerste alinea en daarna is die man verdwenen. Ik lees over een scheiding die telefonisch wordt doorgegeven en plots gaat het over klanten van een bedrijf die ook opbellen.
Ik weet dat deze Salter gewaardeerd wordt en zelfs gezien wordt als een van de beste verhalenschrijvers, maar wat er met die oordelende typeringen vaak gebeurt is dat ooit iemand dit geroepen heeft en dat veertig jaar later in een bekende Nederlandse talkshow de typering herhaald wordt, zonder deze onbegrijpelijke verhalen erbij te pakken, maar er wordt wel verzucht: ‘Ja Salter, dat is de beste verhalenschrijver.’
Misschien volgend jaar maar weer eens proberen. Misschien moet je er vijftig voor worden. Ik hou de bundel wel in de kast. In ieder geval leuk voor mensen die op bezoek komen en die denken: ‘Salter, dat is de beste verhalenschrijver.’
Toen pakte ik Dood op krediet erbij, en ik wist: dat is in ieder geval een vertelling met zo veel schwung in de vertelstem, dat kan ik op mijn gemak lezen. Bovendien sloot het boek perfect aan bij de laatste avond van de najaarsreeks van mijn Schrijfcafé, aanstaande dinsdag. Celine voert een verteller op die alles wat er in zijn hoofd omgaat het papier opspuugt. Alles. In een verschrikkelijk tempo, met hele korte zinnen en de bekende drie puntjes aan het einde van heel veel zinnetjes. Het tempo, de sprongen, de sfeer, alles is heel sterk aan dit boek.
Als de verteller, en huisarts, een zeurende vrouw volgt naar haar huis waar haar zieke dochtertje zit:

‘Allemaal slap gezeik, da’s wel duidelijk… Dat hele verhaal stinkt naar zure wijn en kots…
We komen aan bij hun kot…
Ik loop naar boven. Ik zit eindelijk… De kleine meid draagt een brilletje.
Ik ga naast d’r bed zitten. Ze speelt toch nog een beetje met d’r pop. Ik zal d’r eens wat opvrolijken. Als ik wil, kan je best met me lachen… Dat grietje is niet ten dode opgeschreven… Ze ademt wat moeilijk… Duidelijk geval van bloedstuwing… Ik maak d’r aan het lachen. Ze krijgt ’t er benauwd van. Ik stel de moeder gerust.’

Zo gaat het maar door. Een geweldige stem, een dubbele lading doordat de arts cynisch is en niks om die mensen geeft, in tegenstelling tot wat zijn beroep doet verwachten. Mooi ritme, die puntjes zijn zeer goed gedoseerd want als je dat na iedere zin toepast werkt het zeker niet, en te weinig werkt ook niet. Het moet gelijk lopen met de ademhaling van de lezer. De details brengen je steeds terug in dat huisje, het brilletje, de pop. De vertelling is volledig vanuit die gedachtestroom, allemaal in het nu, en toch komen er voldoende details om houvast te hebben, eenheid van plaats en tijd. En de gedachten en hersenkronkels zijn nergens cliché en uitleggerig, ze vullen aan.

Jan van Mersbergen

Jan van Mersbergen